Dolle Dinsdag en graven met een kinderschep

Eind augustus 1944. Iedereen voelt dat er wat staat te gebeuren. Langzaam nadert het krijgsgeweld de Liemers en de Veluwezoom. Zelfs de bezetter begint nu onrustig te worden. De bewoners weten niet wat ze ervan moeten denken. De bevrijding lijkt aanstaande, want de geallieerden winnen snel terrein. Het Duitse leger is afgemat en heeft veel materieel verloren. Zo’n 60.000 NSB’ers vertrekken in treinen naar Duitsland en militairen nemen in paniek de benen. Wat er aan troepen langs trekt, is een schamel allegaartje. Daarom groeit de hoop.

Onvoorspelbaar is echter hoe de bezetter zal reageren op een confrontatie. En hoe ver zijn de geallieerden nu echt gevorderd? De een roept dat ze al in Tilburg zitten; de ander zegt dat ze nog in Antwerpen zijn. Betrouwbaar nieuws ontbreekt, maar de geruchtenmachine draait op volle toeren.

Hier volgt een greep uit de regionale gebeurtenissen in die bevreemdende periode.

Geallieerde luchtaanvallen

De geallieerde luchtmacht vliegt voor de troepen uit. Zij richt haar wapens op de Duitse militaire infrastructuur en bevoorrading in Nederland. Hoe meer die worden ontwricht, hoe vlotter de opmars van grondtroepen kan verlopen. Daarom wordt het transportwezen onder vuur genomen.

Nederlandse wegen zijn niet langer veilig. Langs alle hoofdwegen komen langwerpige en ronde gaten. Inwoners menen dat dit schuilplaatsen zijn voor Duitse soldaten, als voorzorgsmaatregel bij luchtaanvallen. Ook treinen en het spoorwegnetwerk zijn herhaaldelijk doelwit, zowel van het verzet als van de geallieerden. Op locomotieven rijden voortaan Duitse bewakers mee.

Op 15 augustus voeren de geallieerden een grote luchtaanval uit op Duitse vliegvelden in heel Nederland. Ten noorden van Arnhem ligt Fliegerhorst Deelen, waar de Luftwaffe haar jachtactiviteit ontplooit. De luchtbasis wordt flink geraakt.

(Tekst loopt verder onder de foto.)

Rookwolken boven brandende olietankwagons, station Zevenaar op 25 augustus 1944.

Tien dagen later, op 25 augustus, richten Amerikaanse jagers hun wapens op het spooremplacement in Zevenaar. Vijf geparkeerde olietanks met circa 200.000 olie vliegen in brand. Een enorme vuurzee ontstaat en rookwolken zijn tot zestig kilometer verderop zichtbaar.

Op 3 september volgt een nieuwe en verwoestende luchtaanval op vliegveld Deelen. Hierna opereert de Duitse luchtmacht nauwelijks nog vanaf deze basis. Die dag krijgen de geallieerden Brussel in handen en op 4 september Antwerpen. Ze winnen snel terrein.

Dolle Dinsdag, 5 september 1944

Op 5 september gaan in het hele land de wildste geruchten rond. ‘Het zuiden is al bevrijd.’, roepen sommigen. ‘De geallieerden kunnen hier elk moment zijn.’ Iedereen wil hen verwelkomen. Veel mensen halen oranje linten en zorgvuldig verborgen vlaggen tevoorschijn. Op straat wordt zelfs gedanst.

In alle verwarring breekt er paniek uit bij de Duitsers en hun handlangers. Van hoog tot laag slaan ze op de vlucht, maar niet nadat ze hun administraties verbranden. Ook veel NSB’ers vertrekken overhaast naar het oosten. In de Achterhoek bij de grens met Duitsland is dat goed te merken. Uit het hele land strijken hier dubieuze lieden neer.

Later zal 5 september worden herinnerd als Dolle Dinsdag. In Duiven zijn de bewoners echter snel uit gedanst. Daar wordt het treinstation in puin geschoten. Zeven tankwagens vol benzine gaan in vlammen op. En de aanstaande bevrijding? Die laat nog maanden op zich wachten.

Legertroepen, gravers en vrouwen voor de officieren

Vanuit het zuiden trekt een wanordelijk stoet Duitse troepen door Velp. Hun uniformen zijn vuil. Van de ongeschoren gezichten valt verslagenheid af te lezen. Ze komen met alle mogelijke voertuigen aanzetten. Zoals kapotte auto’s getrokken door een span ossen en Belgische vrachtwagens met ‘Boulanger’ op de zijwand. Ze slepen vrachten gestolen huisraad mee.

Op 8 september heeft de Duitse legerleiding de vluchtende troepen weer aardig in het gareel. Bewoners van Velp zien ordelijke troepen naar hun legerplaats terugkeren. Heel wat manschappen worden eveneens ingekwartierd in de Steeg.

Intussen gaat het verhaal rond dat er mannen worden opgepakt voor de stellingenbouw. Dat klopt. In Zevenaar vordert E. Schneider, de Beauftragte van de Rijkscommissaris voor Gelderland, een groot aantal mannen. Dit onder dreiging dat de stad in puin zal worden geschoten als zijn eis niet ingewilligd wordt.

Overal in Liemers en de Achterhoek moeten mannen zich melden voor graafwerk. Begin september geldt dit voor mannen van 16 tot 50 jaar. Later wordt deze leeftijdsgrens opgetrokken naar 60 jaar. Ze kunnen in Zevenaar op slaapzalen overnachten, maar de meesten slapen liever thuis. Sommige mannen uit verafgelegen dorpen zijn wel een paar uur onderweg. Zij komen te voet of per fiets naar het werk. En dan maar hopen dat een Duitser hun rijwiel niet vordert.

Overigens moeten gemeenten ook vrouwen ‘leveren’ aan de Wehrmacht. In Gendringen wensen de aldaar verblijvende Duitse officieren keukenmeisjes, serveersters, enzovoort. Gemeenteambtenaren hebben weinig zin om hieraan mee te werken. Ze willigen de verzoeken slechts gedeeltelijk in, of na veel gedraal. Leden van de plaatselijke verzetsbeweging weten wie NSB’er zijn, en welke vrouwen contacten onderhouden met Duitse militairen. Zij worden als eersten gestuurd.

Kwartiermakers eisen scholen, cafés en boerderijen

Ook anderszins worden gemeenten ingeschakeld. Burgemeester Cremers in Pannerden krijgt op 9 september 1944 opdracht om ruimte beschikbaar te stellen. Dit voor de komst en legering van 150 Duitse arbeiders. Zij gaan versterkingen aanleggen onder leiding van het Duitse bouwbedrijf Organisation Todt (OT). Deze mannen maken deel uit van de (naar zeggen) 5.000 arbeiders die langs de IJssel zullen worden ingezet.

Burgemeester Cremers moet onmiddellijk de lagere school in zijn dorp laten ontruimen. En hij moet zorgen voor een kookpot en stro. Vanwege de onrustige situatie wordt het onderwijs in die periode wel vaker onderbroken. Dan blijven de kinderen soms dagen of wekenlang thuis. Gauw brengt het schoolpersoneel met hulp van dorpelingen schoolmeubels en andere spullen in veiligheid. Alles en iedereen is in rep en roer.

Terwijl zij druk bezig zijn, verschijnt er een groep kwartiermakers van een Duitse eenheid. Deze militairen hebben geen boodschap aan de Todt leute en eisen de school voor hun eigen troepen op. Uiteindelijk komen er wel arbeiders in Pannerden, maar die hoeven weer geen onderdak. Waarschijnlijk slapen ze elders of komen ze uit naburige plaatsen. Zo zit Pannerden voorlopig alleen opgescheept met de soldaten.

Kwartiermakers vormen altijd een voorhoede. Steeds meer Duitse militairen worden naar de Liemers gedirigeerd en strijken overal neer. Op 10 september claimen ze het café van Th. Joosten in Aerdt voor een inkwartiering. Die zal tot 1 april 1945 duren. En in boerderij De Rogkamp te Aerdt vestigen ze hun hoofdkwartier voor de in de Betuwe opererende militairen. Achtereenvolgens verblijven daar soldaten van de Wehrmacht, SS-ers en Fallschirmjäger.

In geval van inkwartiering mogen huiseigenaren hooguit op een slaapkamertje blijven bivakkeren. Of ze worden gesommeerd om te vertrekken, soms binnen een kwartier. Op vergelijkbare wijze nemen Duitse militairen tal van gebouwen in.

Graven met een strandschepje

Vrijdag 8 september. Op de gemeentesecretarie van Zevenaar zijn nog maar twee ambtenaren aanwezig: de secretaris en de bode. Hun collega’s zijn ondergedoken. Uit voorzorg hebben zij de registers van de burgerlijke stand verborgen. Elders in de stad zit op het kantoor bij inktfabriek Van Gimborn een groepje burgers bijeen. Het zijn belastingambtenaren, onderwijzers en een paar mensen van de PTT. Zij proberen de opdracht van de Beauftragte uit te voeren. In alle redelijkheid wijzen zij mannen voor de Gemeinde-Einsatz aan. Vooral boeren en tuinders worden ontzien, omdat zij de voedselproductie waarborgen. Het gaat er trouwens gemoedelijk aan toe.

De eerste gravers maken zich evenmin druk. Begin september zit de stemming er goed in. Ze durven zelfs grapjes uit te halen met de gewapende Duitsers. De OT-leiders zijn voornamelijk oudere Rijnlanders en SA-mannen uit Westfalen. Volgens opdracht moeten burgers zelf een schop meebrengen. Geen probleem, denken de mannen. We hebben nog strandschepjes liggen van de kinderen. De OT-leiders zeggen er weinig van. ‘Die geloofden het al gauw.’

De kinderschepjes worden omgedoopt tot ‘sabotageschop’ en vormen een kleine daad van verzet. Toch komen er talloze eenmansgaten langs de dijken en verkeersaders. Alleen, wat is het juiste formaat? De ene OT-voorman verlangt gaten van 1,20 meter lang, 60 cm breed en 1 meter diep. De andere zegt dat ze 1,40 meter lang, 80 cm breed en 1,20 diep moeten zijn. En de één weet het natuurlijk weer beter dan de ander. Ach, de gravers zien er de humor wel van in.

Werklocaties bij Pannerden

Vanaf 8 september werken de Duitsers met de mannen uit Zevenaar in en rondom Pannerden. Ze graven langs de Rijn, ‘in de Meeten’, richting het Berghoofdse veer en bij verschillende andere veren. Ook komen er Deckungslöcher of schuilplaatsen op en bij de Rijndijken, langs de spoorlijnen, bij bruggen en bij kruispunten van grotere wegen.

Aanvankelijk doen de mannen bij wijze van sabotage kalm aan. En al voeren ze weinig uit, ze krijgen per dag vijf gulden. De burgemeester van Pannerden ziet eveneens een kansje. Met zo veel Duitse arbeiders in de buurt, redeneert hij, hoeven de dorpelingen vast niet te graven. …

(Literatuur. Bron anekdotes kantoor Van Gimborn en kinderschepje: vrij naar Ons laatste halfjaar. De overige informatie komt gedeeltelijk uit Er op of er onder en uit Burgemeester in crisis- en oorlogstijd, dagboek Cremers. Lees meer over deze literatuur bij Bronnen.)

(Afbeeldingen. Bron foto: Station Zevenaar met brandende olietankwagons, fotograaf onbekend, Cultuurhistorische Vereniging Zevenaar, foto 02203.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.