Er hangt iets in de lucht. 11 – 17 september 1944

Begin september wordt er in de Liemers al een berg grond verzet. Honderden Arnhemmers spitten op 6 september langs de Rijn en langs de IJssel. Twee dagen later gaan Duitse arbeiders rond Pannerden aan het werk. Op maandag 11 september besluit burgemeester Cremers van Pannerden zelf polshoogte te nemen.

Langs de Berghoofdse Veerweg worden gaten gegraven waar drie mannen in kunnen staan, ziet hij. Daar tussenin komen ‘halfronde greppels voor machinegeweren.’ En ‘over de Pannerdense waard, achter Hooijman langs’, graven de mannen een brede tankgracht uit tot aan de Deukerdijk. Overigens verwachten de Duitsers zelf niet dat de gracht oprukkende geallieerden tegen zal houden. Het tekent hun gemoed in die dagen.

In Oosterbeek, circa twintig kilometer ten westen van Pannerden, merkt een omwonende intussen iets eigenaardigs op. Het gebeurt rond 12 september, wanneer hij steeds één of twee soldaten op de spatborden van Duitse auto’s ziet zitten. In plaats van dat zij letten op het verkeer, speuren zij de hemel af. En zodra ze een vliegtuig spotten, slaan ze meteen alarm. Snel springt de bemanning dan uit de wagen om dekking te zoeken in éénmansgaten. Die zijn inmiddels langs alle belangrijke verkeerswegen gegraven. Wat weten de Duitsers? Verwachten ze soms dat de geallieerden binnenkort met vliegtuigen komen?

De scholen zijn net begonnen aan een nieuw jaar. Maar vanwege de onrustige situatie gaan sommige scholen die week alweer dicht. Zoals de MULO in de Parkstraat in het Arnhemse Spijkerkwartier. Terugtrekkende Duitse troepen vorderen het gebouw en trekken erin.

In Lobith/Tolkamer horen de arbeiders op de scheepswerf dat ze zich de volgende ochtend voor graafwerk moeten melden. Met een deken, schop en lepel verschijnen de meesten braaf. Op donderdag 14 september vertrekt de stoet naar Groessen om loopgraven te maken. ‘Veel dreigementen hebben ze al niet nodig.’, merkt burgemeester Cremers van Pannerden een beetje bitter op.

Hooggeplaatst bezoek

Eveneens op 14 september krijgt Oosterbeek zeer hoog bezoek. De Duitse generaal-veldmaarschalk Model neemt zijn intrek in het dorp. Walter Model is commandant van de Heeresgruppe B. Hij staat direct onder het opperbevel van generaal-veldmaarschalk Von Rundstedt.

Model vestigt zich met zijn staf afwisselend in de hotels Hartenstein, Schoonoord en De Tafelberg. Overal rondom deze gebouwen worden grote villa’s gevorderd en militairen ingekwartierd. Zoals op Waldfrieden, de Pieterbergseweg, de Utrechtseweg tussen Hartenstein en de Stationsweg, de Julianaweg en in de Beukenlaan. Duitse bevelhebbers weten hun optrekjes wel uit te zoeken.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding.)

Hotel Schoonoord aan de Utrechtseweg in Oosterbeek, ca 1935.

Erg stil doen de Duitsers ook al niet. Vooral de SS’ers laten zich gelden met hun bulderende commando’s, stampende laarzen en onthutsend agressieve machtsvertoon. En de komst van hoge heren gaat steevast gepaard met graafwerk. Voor noodgevallen moeten er voldoende ‘Deckungslöcher’ zijn. Tussen de struiken in omliggende tuinen, bijvoorbeeld. De Engelsen kunnen weten waar de Duitsers zitten, want hun Typhoons worden met afweergeschut bestookt.

Velp zit al langer opgescheept met een hooggeplaatste Duitser plus entourage. Niemand minder dan Reichskommissar für die besetzten niederlandischen Gebiete Arthur Seyss-Inquart resideert aan de Parkstraat. Tijdens de zomer van 1944 verhuist hij van landgoed Clingendael in Wassenaar naar Velp. Kennelijk verblijft hij graag wat dichter bij de Heimat na de ontwikkelingen in Normandië. Zijn kantoor met commandobunker bevinden zich in Apeldoorn. Voor vestiging van diverse diensten eisen de Duitsers in Velp ruim honderd villa’s op. Het dorp krioelt trouwens van de militairen.

Het grondverzet gaat door

Ondertussen ploetert het gewone volk voort. Die 14de september zijn Velpse fabrieksarbeiders de klos. Zij worden gevorderd voor de stellingbouw. De volgende dag roept de politie nog eens 600 Velpenaren op. Allemaal moeten ze naar Groessen toe: graven aan de tankgracht. Wat later komen mannen uit Ruurlo hen versterken.

Burgemeester Cremers in Pannerden krijgt ook weinig rust. Op 16 september staat er alweer een Duitser op de stoep. Een stevig gebouwde burger deze keer, die zich voorstelt als Kerkenberg. Kerkenberg werkt voor de Nationalsozialistische Volkswohlfahrt (NSV), een onderdeel van de NSDAP. De NSV voert tijdens de Tweede Wereldoorlog meerdere overheidstaken uit, waaronder gezondheidszorg. Hij verlangt onderdak voor zichzelf en voor een Pflegerin. ‘Hij is belast met de verzorging van de menschen die hier komen graven.’, schrijft Cremers. ‘Er schijnt dus toch nog wat op komst te zijn.’ Dat heeft de burgemeester goed gezien.

Zondagochtend, 17 september 1944

Terug naar Oosterbeek, 17 september 1944, een zonovergoten dag. De kerken stromen vol met dorpelingen in hun beste zomerse goed. Het geloof biedt hen troost en houvast. Zeker in deze ongewisse tijd hebben mensen daar behoefte aan. Sowieso het is fijn om bijeen te zijn. Binnen hebben de aanwezigen geen idee van wat er nadert. Maar buiten wordt de sfeer onrustig. In de verte is een soort gerommel hoorbaar. Dan volgt er nieuws. Het gaat als een lopend vuurtje van dorp tot dorp. De geallieerden! Ze komen eraan!

(Literatuur. Bron informatie Velp: Velp en de oorlog. Bron vertelling Cremers: Burgemeester in crisis- en oorlogstijd. Bron anekdote soldaten op spatborden: C.B. Labouchère. Lees meer over deze literatuur bij Bronnen.)

(Afbeeldingen. Bron foto hotel Schoonoord: Gelders Archief 1541 – 790, fotograaf onbekend, circa 1930-1940, Public Domain Mark 1.0 licentie.)
(Bron foto tekstfragment: Gelders Archief 1557 – 1541, Stukken betreffende boek ‘Zes dorpen in oorlog en verzet’, door H.C.J. Erkens, 1984. Ongepubliceerd manuscript van A.W. Kremer.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.