Een spergebied onder militair bevel

(Wat vooraf gaat. Op 6 september 1944 begint de aanleg van de Panther-Stellung in de Liemers. Tussen 17 – 25 september vindt de Slag om Arnhem plaats.)

Na de Slag om Arnhem hebben de Duitsers weer stevig grip op het gebied ten noorden van de Rijn. Ze verwachten echter dat de geallieerden hier opnieuw zullen aanvallen om door te stoten naar het Duitse achterland. Dus krijgt de bouw van de verdedigingslinie extra prioriteit. De hele zone langs de Rijn wordt zo snel mogelijk ingericht als goed verdedigbaar front. Maar wat te doen met de Nederlandse bevolking in het beoogde spergebied?

De Duitsers maken het spergebied gereed

Na de oorlog verklaart Dr. Schneider, de Beauftragte, ofwel gemachtigde van de Rijkscommissaris in Gelderland, wat het beleid was.

‘Im sogenannten Kampfzonenerlass einer gemeinsamen Anordnung des Wehrmachtsbefehlshabers in den Niederlanden und des Reichskommissars fur die besetzten niederländischen Gebiete, war festgelegt worden, dass im Falle von Kampfhandlungen des Gebiet in einer Tiefe von 20 Kilometern hinter der Hauptkampflinie ausschließlich der militärischen Befehlsgewalt unterstehen sollte. Es war dem Ermessen der jeweiligen militärischen Befehlshaber überlassen, ob und in wieweit die Organe der Zivilverwaltung bei der Erfüllung verwaltungsmassiger Aufgaben herangezogen werden sollten.

Vrij vertaald: In het zogenaamde gevechtszone decreet, een gezamenlijk bevel van de Wehrmacht-commandanten in Nederland en de Reichskommissar voor de bezette Nederlandse gebieden, was bepaald dat bij vijandelijkheden in het gebied op een diepte van 20 kilometer achter de belangrijkste gevechtslinie, deze uitsluitend onder militair bevel moet staan. Het werd aan de respectieve militaire commandanten overgelaten of en in hoeverre de organen van het burgerlijk bestuur bij de uitvoering van bestuurlijke taken moest worden betrokken.

Aan burgerlijk bestuur hebben de commandanten geen boodschap en bij de verwachte strijd loopt de plaatselijke bevolking in de weg. Bovendien zouden verzetsstrijders weleens informatie kunnen doorspelen aan de geallieerden over de activiteiten van de Wehrmacht. Daarom wijst de Duitse bezettingsmacht een brede strook langs de Rijn aan als spergebied. Complete dorpen en steden langs de Veluwezoom, in de Liemers en in de Betuwe worden ontruimd. De bewoners moeten terstond vertrekken. En met wat zij achterlaten, weten de Duitsers wel raad.

Geografische afbakening van het spergebied

Het Duitse front beslaat een veertig kilometer lange strook tussen de Grebbeberg en Spijk, aan weerszijden van de Rijn. De begrenzing loopt in het noorden langs de spoorlijn Veenendaal-De Klomp – Arnhem – Doetinchem. In het zuiden vormt de Rijn al een natuurlijke barrière. Vanaf de rivier richting het noorden is het front of spergebied tot circa twintig kilometer diep. De tegenover gelegen Betuwe wordt eveneens grotendeels ontruimd. Begin december zetten de Duitsers het gebied ook nog bijna geheel onder water om de geallieerden daar te verdrijven.

Langs de zuidelijke Veluwezoom vinden tussen eind september en eind oktober 1944 ontruimingen plaats van Rhenen tot en met Arnhem. Dit is een surrealistisch landschap, waar nog overal wrakstukken van militaire wagens en vliegtuigen liggen en sporen van gevechten zichtbaar zijn. De dwangarbeiders van elders zijn flink onder de indruk van wat ze hier zien.

Ook in de Liemers dreigt voortdurend evacuatie. De plaatsen in het zuidwestelijke deel zijn het eerste aan de beurt. Zo wordt het dorpje Loo eind september 1944 ontruimd en Groessen volgt medio november. In januari en februari 1945 schuift de grens van de verboden zone in noordoostelijke richting op, maar tot die tijd blijft een deel van het front bewoond. Hier ervaren de inwoners samen met duizenden dwangarbeiders hoe de werk- en leefomstandigheden bij de Hauptkampflinie zijn. Uiteindelijk verklaren de Duitsers bijna het hele terrein ten zuiden van de spoorlijn Arnhem – Didam tot spergebied.

Circa 200.000 mensen moeten hun huizen gedwongen verlaten. Over hoe de evacuaties verlopen, volgt binnenkort meer.

Verschuivende grenzen

De afbakening van het ontruimde gebied komt stapsgewijs tot stand. Net zoals in de Liemers schuift de grens langs de zuidelijke Veluwezoom plaatselijk naar het noorden toe op. Dit gebeurt in oktober bij Bennekom en bij Ede, waar een deel van de Kraats verboden gebied wordt. Op 17 januari 1945 schuift de grens verder tot voorbij Hoekelum. Daarna loopt de rand van de verboden zone ruwweg langs het Hazepad (nu A12) en zuidelijk langs Veenendaal.

Dergelijke aanpassingen hangen samen met wie er voor de bewaking verantwoordelijk is. Zodra SS-troepen daartoe het bevel krijgen, worden de grenzen direct veel strenger aangehouden.

Ter hoogte van Oosterbeek vormt de Amsterdamseweg de grenslijn. Er is een wachtpost bij de Van Limburg Stirumweg en de ingang van Warnsborn. Vanaf dat punt loopt de spergrens noordelijker als een ring om Arnhem heen. Hier zullen we nog de dwangarbeiders tijdens hun werk aan de verdedigingslinie zien.

Uitzonderingen bij Arnhem

Wat Arnhem betreft, bevat het evacuatiebevel een indicatie voor de afbakening van het spergebied. Volgens het verslag van de plaatselijke brandweerdienst komt er op vrijdag 22 september 1944 een officier van de Sicherheitsdienst langs ‘met de mededeeling, die ook reeds bij geruchte was doorgedrongen, dat geheel Arnhem moest geëvacueerd worden, waarbij den Brandweer werd opgedragen deze mededeeling zooveel mogelijk te verspreiden.’

Voor de stadsontruiming is een tijdschema opgesteld. Op zaterdag 23 september voor 20.00 uur: het gedeelte van de Arnhemse binnenstad, begrensd door de Rijn, de Utrechtseweg, de Janssingel, de Velpersingel en de Eusebiussingel. In dit deel van de binnenstad smeulen sinds de gevechten nog diverse panden na, dus een aantal inwoners is reeds vertrokken. Op zondag 24 september voor 20.00 uur: de rest van de binnenstad tot de spoorlijn Ede – Arnhem – Zevenaar. En op maandag 25 september vóór 20.00 uur: de hele gemeente tot de Schelmseweg.

Die Schelmseweg is interessant, want met deze weg als grens vallen Schaarsbergen, het Openlucht Museum en Burgers Zoo buiten het spergebied. In het oosten kruist de Schelmseweg de dan in aanbouw zijnde A12, ofwel het Hazepad. Bij het kruispunt van die wegen ligt Geitenkamp, een wijk die wel bewoond mag blijven. Ook Bronbeek valt binnen het Arnhemse spergebied. Daar wordt een slagboom over de Velperweg aangebracht en er komt een wachtpost. Maar verder laten de Duitsers de oud-militairen in Bronbeek met rust. Mogelijk dwingen hun exotische uniformen voldoende ontzag af.

De paters op de Lichtenbeek aan de zuidkant van de Amsterdamseweg pakken het slim aan. Zij evacueren op 26 september naar Schaarsbergen. Verder proberen duizenden Arnhemmers dicht bij de stad in Velp onderdak te krijgen. In Velp dreigt eveneens ontruiming. Verzetsleden weten de aldaar gevestigde Sicherheitsdienst echter handig te bespelen, waardoor een evacuatie steeds is afgewend.

Achterblijven met een reden

In weerwil van alle evacuatiebevelen blijven kleine groepjes bewoners achter. Meestal zijn dit landbouwers en boeren, maar ook zeer oude stadsbewoners die geen vertrekmogelijkheid zien. Op het platteland leven de achterblijvers tamelijk geïsoleerd en vrijwel zelfvoorzienend. De meesten zijn verplicht om voor de Duitsers hand-en-spandiensten te verrichten. Zo leveren boeren en tuinders voedingsmiddelen voor keukenwagens en ingekwartierde militairen. Daarnaast verzorgen ze allerlei transporten met paarden met boerenwagens.

Geëvacueerde bewoners uit onder meer Groessen en Loo zien tot in januari 1945 kans om langs te gaan bij hun woning. Ze willen controleren hoe alles erbij staat en spullen ophalen. Vaak wacht hen een teleurstelling.

Niemand wil uit zijn huis worden verdreven met achterlating van alles wat dierbaar is en waarde heeft. En het vooruitzicht op een snelle bevrijding is nu verdwenen. De evacuatie wordt zeer ingrijpend voor de lokale bevolking.

Voortgang graafwerk in de Liemers

Onder de Duitsers is de stemming beter, al zijn ook hun gevoelens gemengd. Weliswaar hebben zij de Slag om Arnhem gewonnen en daarmee onverwachts een triomf behaald. Maar de meesten beseffen dat hun verzwakte leger nauwelijks nog op kan tegen de geallieerden. De overwinning bij Arnhem wordt hun laatste grote militaire succes. Toch laten fanatiekelingen er geen gras over groeien. Op 26 september 1944 ronselen zij in Oosterbeek alweer dorpsbewoners om plaatselijke wegen begaanbaar te maken. En er zijn nog veel meer mannen nodig voor de stellingbouw.

Voor de jonge Duitsers van de Reichsarbeitsdienst zit de bewakingsklus bij de Westervoortse brug er op. Een Infanterie-Kampfgruppe van de 9. Panzer-Division van de Wehrmacht neemt hun stellingen bij de brug en de steenfabriek over.

Vlakbij in Westervoort, confisqueert de Organisation Todt het gebouw van Rehoboth. Hier zien we een groepje parachutisten terug dat na de luchtlandingen bij Arnhem is achtergebleven en naar het dorp is uitgeweken. De Britten lopen in burgerkleding rond en vallen nauwelijks op tussen de vele arbeiders uit verschillende windstreken. Zij graven gewoon even traag als de anderen mee aan de eenmansgaten en de sleuven. Rond etenstijd lopen ze met de anderen mee naar Hugen, waar de Duitsers voedsel aan de arbeiders uitdelen.

Langs de Rijn nabij Westervoort, Loo en Pannerden komt nu overal Duits geschut te staan, gericht op de geallieerde troepen in de Overbetuwe en bij Nijmegen. Vanzelfsprekend beantwoorden beide partijen elkaars beschietingen over en weer. Ondertussen gaat het graafwerk op deze bouwlocaties van de verdedigingslinie onverminderd voort.

Terwijl de Engelse granaten inslaan bij Loo, graven duizenden mannen op 28 september langs de uiterwaarden van de Rijn. Een van hen is Henri de Grood uit Silvolde. Hij schrijft over zijn fietstocht van de verzamelplaats in Terborg via Groessen naar Loo. Onderweg moeten de arbeiders regelmatig dekking zoeken ‘voor de Tommies’. Hoe er op de bouwlocatie wordt gewerkt, vertelt hij ook:

‘Bij Loo staan bij de dijk langs de Nederrijn duizenden mannen en jongens met schoppen aan een fraaie helling te werken, of te doen alsof. Je kunt zien of de toeziende moffen naderbij komen: daar maken de werkers (schijn) bewegingen, zodat een soort golfbeweging nadert.’ De langzaamaanacties zijn een verkapte vorm van verzet.

Wel moet hij vroeg uit de veren. ‘29 september 1944. Vertrek uit Terborg om 6.30 uur. Onderweg telkens uitkijken. In Etten een boerderij in brand, in Zeddam achter de Julianatoren ook vuur, bij Zevenaar een gebouw en een tank in puin. Hoe dichter bij de Rijn, des te gevaarlijker. Zo zijn we pas om 10.30 uur bij “onze” sector van de dijk, niet ver van het Looveer.’

Na aankomst strijken ze in het gras neer voor de eerste pauze en meegebrachte boterhammen. Maar er loopt een SS’er rond en SS’ers reageren doorgaans fel. Woest en wild met zijn revolver zwaaiend, brult hij de mannen toe: ‘Gibt’s da keine Arbeit mehr?!’ Hij zal hen zijn arbeidsmoraal weleens even bijbrengen. De mannen vliegen overeind.

Op 28 september komt het bevel dat een deel van Westervoort en heel Loo moet evacueren. Een kilometers lange strook langs de Rijnoever wordt ingericht als front. Hoeveel haast de Duitsers met hun verdedigingswerken hebben, blijkt ook weer uit een grote klopjacht die op 29 september in Velp plaatsvindt. Bij die actie worden eveneens veel naar Velp uitgeweken Arnhemmers opgepakt. Zo veilig is hun evacuatieadres daar niet.

Spergebied met verborgen agenda

Wie naar de millennia lange geschiedenis van oorlogsvoering kijkt, weet wat er in de verlaten dorpen en steden gaat gebeuren. Waarschijnlijk hebben ook veel evacuerende bewoners al een onbestemd voorgevoel gehad. Verschillende mensen beschrijven hoe zij nog snel hun meest waardevolle bezittingen verbergen voordat ze de deur achter zich dichttrekken en weggaan. Daar is alle reden toe.

Na ruim vier jaar oorlog heeft Hitler zijn land leeggezogen. Miljoenen Duitse militairen zijn in de kracht van hun leven gesneuveld. De landbouwsector en de industrie zijn volledig afhankelijk geworden van buitenlanders. Dwangarbeiders uit de bezette gebieden werken in staalfabrieken. Vrouwen en kinderen doen mannenwerk. Krijgsgevangenen doen onder onmenselijke omstandigheden slavenarbeid in de wapenindustrie. Anno 1944 dienen oude mannen en minderjarigen in het leger. De jongsten zijn pas twaalf jaar oud. Duitsland is uitgeput en kapot.

Maar opgeven kan niet. Voor de eindstrijd worden alle nog resterende mensen en middelen opgeofferd aan de oorlogsindustrie.

Om alles draaiende te houden en zijn gedemoraliseerde volk tevreden te stellen, heeft Hitler dringend grondstoffen en goederen nodig. En waar zijn die makkelijker verkrijgbaar dan in een ontruimd spergebied? Via het ‘Entwurf für Besondere Anordnung für Versorgung des II. SS P.K.’ wordt duidelijk wat met Arnhem de bedoeling is. Dit II. SS Panzerkorps was als legerkorps van de Waffen SS direct betrokken bij de Slag.

Entwurf für Besondere Anordnung für Versorgung des II. SS P.K.

In het plan staat dat Mittelholland van het grootste belang is voor de oorlogseconomie en de bewapening van Duitsland. De economische exploitatie van dit gebied moet worden veilig gesteld, ook in de gevechtszone. Daartoe moeten Feldwirtschaftskommando’s de industrie- en landbouwproducten uit de gevechtszone halen. Deze commando’s zijn speciale onderdelen van de Wehrmacht, belast met de economische ontmanteling c.q. maximale exploitatie van bezette gebieden.

Dat lot treft Arnhem dus evenals de regio rond de te bouwen Panther-Stellung. Bij de Holmetal in Arnhem begint de Räumung al rond 16 september 1944, nadat de technici en andere medewerkers zijn opgeroepen voor het bouwen van Duitse versterkingen langs de IJssel. Diezelfde maand start ook de verkenning en inventarisatie van economische goederen bij andere grote productiebedrijven, zoals de AKU en de rubberfabrieken.

Militaire acties in de Betuwe, oktober 1944 – april 1945

Voor een aanvullend beeld van het frontgebied waarin de dwangarbeiders moeten werken, volgt hier in grote lijnen wat er na de Slag om Arnhem tot april 1945 gebeurt in de Betuwe.

Begin oktober 1944 mislukt een offensief van de Duitsers om de geallieerden in de Overbetuwe terug te dringen. Hierbij wordt de Arnhemse Rijnbrug op 7 oktober alsnog door geallieerde bombardementen vernietigd. De Duitsers verstevigen hun frontlinie op de noordzijde van de Rijn en behouden aan de zuidkant posities en bruggenhoofden bij Elden, Huissen, en Doornenburg. Tegelijkertijd maken ze vaart met het dichten van het gat in hun verdedigingslinie ten noorden van Kleef. En, zoals bekend, verlengen ze de Siegfriedlinie met onder meer de Panther-Stellung.

Hoewel het front in oktober 1944 langs de Rijn verstart, gaat de strijd door gedurende de herfst en de zeer strenge winter van 1944/45 die volgt. De geallieerden hebben bij Nijmegen de brug over de Waal in handen en ze bezetten delen van de Betuwe direct ten zuiden van de Rijn. Vanuit de lucht, vanuit regio Nijmegen én vanuit de Betuwe beschieten ze het Duitse front.

Om de geallieerden toch terug te dringen, blazen de Duitsers op 2 december 1944 een dijk op tussen Elden en Driel. Daarna loopt een groot deel van de Overbetuwe onder water. Het moerasgebied is onbegaanbaar voor geallieerde tanks, maar vanuit bootjes gaat een kat-en-muisspel door. Bovendien zal het die maand niemand ontgaan dat de Duitsers in de Achterhoek een lanceerbasis hebben opgetuigd voor hun V1’s.

Van oktober 1944 tot aan de bevrijding in april 1945 liggen de Liemers, Arnhem en de zuidelijke Veluwezoom geregeld onder vuur. Terwijl de dwangarbeiders onder levensgevaarlijke omstandigheden verder ploeteren, wordt de verwoesting almaar groter in de verlatenheid om hen heen.

Leven langs de rand

Buiten het spergebied is het evenmin rustig. Er is geen lege woning meer te vinden; alle gebouwen puilen uit. Overal zijn evacués en vluchtelingen ingetrokken bij bewoners thuis. Overal zijn grote groepen Duitse militairen ingekwartierd en overal verblijven mannen van de OT. Verder trekt er dagelijks een oneindige stoet voedselzoekers uit het westen voorbij. Wie te zeer is verzwakt, kan nog wel een slaapplaatje op de hooizolder krijgen. En dan zijn er nog de honderden line-crossers, verzetsstrijders, geallieerden en onderduikers. Zij houden zich te midden van al het gekrioel schuil. Sommigen verblijven zelfs met SS’ers onder hetzelfde dak.

(Literatuur. Bron sperlinie grenzen Veluwezoom: Blik omhoog, deel III. Bron plundering Arnhem: Van Iddekinge. Bron evacuatiezones Arnhem: GA 2197 – 6740, A. Jonker, verslag omtrent de belevenissen bij de brandweer vanaf 17 september tot begin december 1944. Bron citaten werk bij Loo 28-29 september: Mr. Henri A. de Grood, in Een Silvolds dagboek over het laatste oorlogsjaar, op Oldsillevold.nl. Bron gravende parachutisten: herinnering van Theo Strijbosch in Westervoort 1940 – 1945. Bron gebeurtenissen in de Betuwe: Een andere kijk op de slag om Arnhem. Zie Bronnen voor deze en andere literatuur.)

(Afbeelding. Foto Entwurf für Besondere Anordnung für Versorgung des II. SS P.K., detail uit Gelders Archief 1557 – 10, documenten Feldwirtschaftskommando, KVV.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.