Evacuatie spergebied 1944: de Liemers

(Wat vooraf gaat. Op 6 september 1944 start de aanleg van de Panther-Stellung in de Liemers. Na de Slag om Arnhem wordt de Rijn van Spijk tot Rhenen front- en spergebied. Veel bewoners moeten plotseling vertrekken.)

Zodra de eerste vluchtelingen uit Arnhem in de Liemers aankomen, zien de bewoners daar de bui al hangen. En met reden. Militairen en dwangarbeiders leggen al Duitse stellingen aan en de gevechten komen steeds naderbij. Het evacuatiebevel van de Wehrmacht laat niet lang op zich wachten.

(Tekst loopt door onder de afbeelding.)

Evacuatie Westervoort met paard en wagen, 1944.

Als eersten moeten de inwoners van Pannerden vertrekken op 24 september. Spoedig volgen naburige plaatsen, want de Duitsers breiden het spergebied geleidelijk verder naar het noordoosten toe uit. Tot vlak voor de bevrijding, in april 1945, blijft het dreigement van evacuatie als een zwaard van Damocles boven de streek hangen.

Aan de overkant, in de Betuwe, is het vooruitzicht weinig beter. Langs de noordzijde van de Rijn hebben de Duitsers hun Panther-Stellung gepland, maar de zuidzijde fungeert als voorportaal bij deze verdedigingslinie. De bewoners in de Betuwe moeten het eveneens ontgelden. Daarover in het volgende bericht meer.

Situatie spergebied in de Liemers

Vanaf eind september breiden de Duitsers stapsgewijs hun spergebied in de Liemers uit. De plaatsen in het zuidwesten komen als eerste aan de beurt. Zo moeten de inwoners van Loo en Pannerden al snel vertrekken. Wegens hevige beschietingen in en vanuit de Betuwe is het ook nauwelijks uit te houden aan het Rijnfront. Medio november worden de inwoners van Groessen gesommeerd om te vertrekken. Wie wel tegen hun zin moeten blijven, zijn de honderden dwangarbeiders, die daar in scholen en café-zalen gehuisvest zijn.

Medio januari 1945 schuift de grens vanaf de Rijn-en-IJsselsplitsing op in noordoostelijke richting. Dan loopt de noordgrens van de verboden zone bij de spoorlijn Westervoort – Zevenaar, tot de Buitenmolen aldaar; en ten zuiden daarvan: de steenfabrieken bij Pannerden in de Kijfwaard. Uiteindelijk verklaren de Duitsers vrijwel de hele streek ten zuiden van de spoorlijn Westervoort – Didam, tussen de IJssel en Emmerich tot spergebied.

Overigens blijven in vrijwel alle plaatsen kleine aantallen bewoners achter. Boeren en tuinders hebben voldoende voedsel en zijn gewend om problemen zelf op te lossen. Bovendien krijgen sommige delen van de buitengebieden pas jaren na de Tweede Wereldoorlog elektriciteit. De meeste achterblijvers zijn dus van oudsher al behoorlijk zelfvoorzienend. Een enkeling bouwt uit voorzorg zelfs alvast een woonwagen, compleet met kachel. En met dienstverlening of ruilhandel helpen de mensen elkaar.

Evenals in het Veluwse deel van het spergebied, staan de Duitsers hun verblijf in de Liemers toe. Deze inwoners spelen een rol bij de voedselvoorziening of dijkbewaking en handhaven zich tot aan de bevrijding. Het contact met de overgebleven plaatselijke inwoners doet de dwangarbeiders trouwens goed.

Organisatie van de evacuaties

Voor wie met gedwongen ontruiming te maken krijgt, bestaat er een hulporganisatie die gespecialiseerd is in evacuaties. Namelijk: het Rode Kruis. Lokale afdelingen komen ook in 1944 snel in actie bij de evacuatie van meerdere plaatsen binnen het front- en spergebied. Op 24 september 1944 moet een deel van Pannerden op stel en sprong ontruimen. Dat lukt met hulp van het regionaal werkende Rode Kruis in Lobith. En in november brengen medewerkers van het Rode Kruis burgers uit Duiven en Groessen naar Doetinchem toe.

Gemeentebestuurders, ambtenaren en medewerkers van hulporganisaties in de Liemers trekken lering uit de chaotische ontruiming van Arnhem. Zij krijgen wat meer voorbereidingstijd en kunnen gezamenlijk actieplannen opstellen. Het Bureau Afvoer Burgerbevolking (een overheidsdienst) zorgt in verschillende plaatsen voor spreiding en doorvoer van evacués. De leden daarvan zijn overigens vrijgesteld van de arbeidsinzet.

In Duiven is de heer A. Boss evacuatieleider. ‘We hadden in Arnhem gezien dat de bevolking wegvluchtte zonder enige vorm van organisatie. … Bij ons ontstond toen het idee – we hadden de tijd, want niemand werkte nog en ook de scholen waren gesloten – om een eventuele evacuatie anders aan te pakken en erop voorbereid te zijn.’

Vervoer over de weg en over de rivier

Voor de evacuatie medio november 1944 regelen de leden van dit evacuatiecomité zelf vervoer. Ook krijgen ze hulp vanuit Zevenaar. Het Rode Kruis stelt onder meer wagens voor het transport beschikbaar. Alle voertuigen worden bespannen met witte doeken en een groot rood kruis om beschieting vanuit de lucht te voorkomen. Tijdens de tocht speelt iemand op een trekharmonica en dat houdt de moed er een beetje in bij de passagiers.

Weer twee maanden later, medio januari 1945, moeten de overgebleven inwoners van Pannerden vertrekken. Volgens burgemeester Cremers is vervoer dan het grootste probleem. Hij komt op het idee om enkele voor anker liggende rijnaken te gebruiken. Via de Duitse Ortskommandant Löhrke in Tolkamer regelt hij een sleepboot en locoburgemeester Borst uit Zevenaar zorgt voor karren. De mensen uit Pannerden krijgen opvang in de scholen van Tolkamer en Lobith. Mooi opgelost, zouden we denken. Maar erg welkom zijn ze daar niet, wat de Duitsgezinde burgemeester Vleeming betreft. Al spoedig ontvangt Cremers diverse klachten.

Checklist bagage en instructies

Over het algemeen zijn de bewoners in de Liemers enigszins voorbereid op een mogelijke ontruiming van hun woonplaats. Uit deze periode stamt een bagagechecklist met instructies. De lijst leest als een inpaklijst voor de wintervakantie met onder andere: een wollen jurk; twee stel ondergoed (winter); truien en pullovers; handschoenen en zakdoeken. Voor de baby gaat een gummi kruik mee. Verder bevat de lijst levensmiddelen voor drie dagen, toiletartikelen, kleine huishoudelijke artikelen en eetgerei, zoals we mee zouden nemen naar de camping. Maar de ‘diversen’ duiden toch echt op een andere bestemming: ‘geld en sieraden; waardevolle papieren, polissen, diploma’s; spaarbankboekjes – chequeboekjes; persoonsbewijzen en stamkaarten; nooddistributiekaarten; potlood – pen en papier.’

Voedselproducenten uitgezonderd

De instructie bevat een cryptische regel, namelijk: ‘Eventueele afvoer van vee zal plaats hebben over den Plaatselijk Bureauhouder.’ Deze ambtenaren houden voor het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd toezicht op de boeren en tuinders en op de voedselverwerkende industrie.

Om de voedselvoorziening in Nederland veilig te stellen, kunnen Bureauhouders vanaf medio april 1943 Ausweise uitschrijven. Daarmee zijn mensen werkzaam in de voedselproductie en -verwerking vrijgesteld van de Arbeitseinsatz. Dit verklaart waarom boeren en tuinders op eigen verzoek mogen blijven, terwijl de rest van de bevolking uit het spergebied moet verdwijnen.

Evacuatie Pannerden, vanaf 24 september 1944

Met de komst van SS-generaal Harmel op 19 september, wemelt Pannerden van de Duitse pantserdivisie militairen. Harmel vestigt zijn hoofdkwartier in de burgemeesterswoning. In het hele dorp dringen SS’ers de huizen binnen, waar ze zich comfortabel installeren. De bewoners hebben weinig in te brengen. Doen zij niet open, dan trappen de SS’ers deuren in. Alle gebouwen zitten propvol. Afrasteringen en hekken rijden ze omver en boomgaarden komen vol auto’s te staan.

Vanuit Pannerden leidt de generaal zijn aanval tegen de oprukkende geallieerden. Op strategische plaatsen wordt zware artillerie opgesteld en overal komen schuttersputten met loopgraven. Honderden arbeiders zijn met graafwerk bezig. Het militaire gekrioel trekt natuurlijk weer aandacht, dus blijven de te verwachten granaatbeschietingen op het dorp niet lang uit.

Reden genoeg, meent de bezetter, om Pannerden te evacueren. Het regionaal opererende Rode Kruis in Lobith assisteert de inwoners op 24 september bij hun vertrek. Intussen regelt burgemeester Cremers de voedselvoorziening voor zijn dorpelingen. En fijntjes laat hij Ortskommandant Löhrke op Tolkamer weten dat hij vanwege de evacuatie nu even geen mannen uit Pannerden voor het OT-graafwerk in Ooij kan leveren.

Een transportcolonne brengt circa 250 evacués uit Pannerden naar het schuttersgebouw in Aerdt, vanwaar ze voornamelijk in Herwen en Aerdt verspreid worden ondergebracht. Ook helpt het Rode Kruis om zoveel mogelijk goederen uit Pannerden op te halen. Het vee wordt in de volgende weken eveneens in veiligheid gebracht. Burgemeester Cremers trekt in de pastorie van Herwen en de gemeentesecretarie wordt zolang gehuisvest in Lobith.

Op 27 september blijkt dat de generaal vertrokken is uit het Pannerdense burgemeestershuis. De achtergelaten rotzooi in de woning is onbeschrijfelijk. Kastdeuren staan open en de inhoud ligt over de grond verspreid. En het zilveren bestek? Dat is verdwenen uit de opengebroken kluis.

Op 5 oktober is de burgemeester weer even terug in het dorp. Hij spreekt er boer Bouwman, tevens eigenaar van het veerpont bij het Bergse Hoofd, en andere landbouwers uit de Pannerdensche Waard over de evacuatie van hun vee. Ze kunnen hun dieren door alle beschietingen nauwelijks verzorgen. Terwijl ze staan te praten, vallen er weer granaten in het dorp.

Zouden ze ook hebben gesproken over de arbeidsomstandigheden van de dwangarbeiders? Want over de hele lengte van de Veerweg trekt een lange stoet mannen uit Apeldoorn. Zij zijn tijdens de razzia van 2 oktober opgepakt en komen nu in het vrijwel ontruimde Pannerden graven.

Het gevaar trotserend, blijft een aantal gezinnen in het buitengebied wonen tot medio januari 1945. Boeren krijgen van de Ortskommandant nog gelegenheid om het koren af te dorsen; een klus die in de winter wordt uitgevoerd. Verder mogen de dijkwerkers blijven die de burgemeester heeft aangesteld. Deze mensen kunnen voor hun dagelijkse brood nog een tijd lang terecht in Aerdt en bij een familie op de Berghoofdseweg.

Op 15 januari moet toch echt iedereen weg. De vrouwen en kinderen het eerst, de mannen na veel gesoebat met een dag respijt. Dat is wanneer de burgemeester het transport via rijnaken regelt. De resterende bewoners trekken naar Herwen & Aerdt en Lobith en Tolkamer. Na al het oorlogsgeweld blijft Pannerden op 17 januari 1945 troosteloos en verlaten achter.

Rietvelden bij Pannerden

Evacuatie Loo, vanaf 27 september 1944

Op 27 september vernemen de inwoners van Loo en een deel van Groessen (omgeving Lijkweg, Groeneweg en Vossendel) dat zij eveneens moeten evacueren. Het voor de verdediging strategisch gelegen dorp aan de Rijnoever wordt ingericht als front. Aan de Loodijk brengt een hoofdonderwijzer het nieuws rond. Het bevel komt van een majoor en zorgt voor een gevoel van verslagenheid onder de bevolking. Veel bewoners verhuizen naar Groessen, of naar familie en vrienden die wat verder van de Rijn af wonen, zoals in Duiven.

Toch blijft ook hier een klein aantal mensen wonen. Het zijn voornamelijk mannen in het buitengebied. die voor vee zorgen en een oogje in het zeil houden. Veel rust krijgen ze echter niet. De volgende ochtend is er actie in de lucht en even later slaan de eerste Engelse granaten neer. Bij de familie Goris aan de Loodijk komen SS’ers polshoogte nemen of er nog mensen zijn. Het vrouwvolk is met paard en wagen geëvacueerd, maar vader en zoon zijn thuis gebleven op de boerderij.

Deze SS’ers hebben kennelijk geen opdracht om achterblijvers te verjagen. Wel verschijnen even later vijftien jongens van de Reichsarbeitsdienst, evenals een Oberhauptmeister, die een kamer nodig heeft. (Duitse leden van de Reichsarbeitsdienst helpen mee bij de bouw van verdedigingswerken, reparatie van wegen en bij voedselvoorziening.) Het hele stel wordt ingekwartierd. Op 29 september zorgen de achterblijvers toch maar dat ze toestemming krijgen om op hun eigen boerderij te mogen blijven wonen. De ‘Generaloberst’ willigt het verzoek in.

Zo blijven er, ondanks beschietingen vanuit de lucht en hevig artillerievuur in de Betuwe, her en der wat bewoners in het spergebied aanwezig. Henk Goris schrijft hierover: ‘Vrijdag 29-9- ’44. … ’t Heele Loo is nu geëvacueerd behalve wij en de familie Wiltingh. Ook bij J. Janssen zijn er enkele gebleven. Aan de kant van Duiven mochten ze nog blijven, onder andere Jac. Hendriks en Brouwer. Onze buur C. Willemsen komt bij ons in.’ Vier mannen moeten nu met de hand bijna dertig koeien melken in de Hondsdel, een bouwland in het Looveld.

De ingekwartierde Duitsers zorgen overigens goed voor hun eigen maaltje. Wanneer de oppasser voor zijn luitenant in de keuken aardappelen moet bakken, bakt hij voor zichzelf ook meteen tien eieren en werkt die achter elkaar naar binnen.

Anderhalve week nadat ‘circa 3.000 burgers’ onder leiding van de OT over de Loodijk trekken om loopgraven aan te leggen, ontvangen de resterende bewoners op vrijdag 13 oktober 1944 alsnog het onheilsbericht dat zij zelf binnen een dag moeten evacueren. Direct pakken ze hun spullen in. Dat gaat vlot, maar ook de complete beestenboel van meerdere boerderijen moet worden verplaatst. Afgesproken wordt dat de koeien en varkens gezamenlijk naar de Eng bij Duiven worden overgebracht.

Henk Goris vertelt hoe de verhuizing en het veetransport in etappes plaatsvinden op 14 oktober:
‘We hadden ’s nachts aardig goed geslapen behalve Pa. ’s Morgens kwart voor zes op, meteen maar gegeten. Dan met de koeien en kalveren aan een touw naar Duiven. Onderweg werden de kalveren bij Jac. Hendriks neergezet.
Op den Eng werd een paard aangespannen en toen terug naar het Loo en daar omgespannen
[uitgespannen en vervolgens voor een ander soort kar aangespannen] in een veewagen om de varkens op te laden en ook naar Duiven te brengen.
Op de terugweg naar het Loo moesten we dekking zoeken voor de Engelse granaten. Door de schrik holde het paard terug naar Duiven. Bij de ‘Prik’ kon men het paard tot staan brengen.
Toen voor de derde keer naar het Loo en een vracht varkens voor Juffrouw Berendsen weggebracht. Intussen had Jan Bonekamp een wagen met weck en andere inboedel naar de Eng bij Duiven gebracht.
’s Middags met ons oude paard en kar beddengoed en dergelijke naar de ‘Hel’ gebracht.’
De Helbouwing, de zogenoemde boerderij van familie Hoogveld in de Helhoek in Groessen. En nog is het werk niet gedaan. Gauw moet hij weer verder. ‘Er was geen tijd van eten, want Berendsen (Schrauwei) moest ook ontruimen.’ Boerderij ‘Schrauwei’ van de familie Berendsen is gesitueerd in Den Oldenhoek, eveneens in Groessen. ‘Die gaan naar hun zwager H. Braam in Ooy. Ik heb met het paard van Oom Bernhard nog even helpen verhuizen.’

In weerwil van alle bevelen, zijn er tóch verstekelingen achtergebleven in het Loo. Op 17 november worden enkelen daarvan ontdekt. Ze hebben vijf weken onder de grond gezeten en de laatste week geleefd op appels. Veel langer hadden ze niet kunnen blijven, trouwens, want het water in de rivier stijgt. Op 1 december 1944 is er grote watersnood in de Liemers en lopen de schuilkelders vol.

Tot in januari 1945 keren sommige bewoners nog regelmatig terug naar Loo. De vader van W. Peters, bijvoorbeeld, is noodheemraad en bezit een speciale Ausweis om in het spergebied te mogen komen. Het is daar erg gevaarlijk want het front ligt steeds vanuit Nijmegen onder vuur. Zelfs dan verblijven in de omgeving van de Schans nog drie families, die eind januari moeten vertrekken. Herwen & Aerdt, Lobith en Tolkamer vangen de laatste evacués op.

Evacuatie Westervoort, vanaf 28 september 1944

Op 28 september komt het bevel dat een deel van Westervoort acuut moet evacueren. Voor de verdediging van het Duitse achterland richten de Duitsers een strook langs de rivieroevers in als front. Van Pannerden aan de Rijn tot voorbij Westervoort langs de oever van de IJssel wordt met man en macht aan stellingen gewerkt.

De resterende bevolking maakt zich weinig illusies. Ook zij kunnen vroeg of laat een ontruimingsbevel verwachten als de gevechten en beschietingen vanuit de Betuwe zo doorgaan. Op 14 november is het zo ver: er hangt een aankondiging bij het gemeentehuis. Daarin staat dat de Dorpsstraat en het Kerkpad als eerste op 16 november worden ontruimd. Volgens afspraak staat er ’s morgens keurig een lange colonne boerenwagens bij het viaduct. Er komt echter geen bewoner opdagen, niemand wil weg. De voerlui uit Didam en Zevenaar keren zonder lading naar huis terug.

Evacuatie bevolking Westervoort bij viaduct Dorpstraat, 1944.

Alsof de Duitsers het met de geallieerden op een akkoordje hebben gegooid, volgen er hevige artillerie beschietingen. Daardoor vertrekken de meeste inwoners de volgende dag alsnog. Alleen verloopt dat nu een beetje rommeliger dan de burgemeester en een politieman hadden gepland. Een groot deel van de bevolking komt in Hengelo (Gelderland) en Keijenborg terecht en de rest regelt haar verblijf zelf.

Evenals in Duiven (zie hierna), is er uitverkoop in Westervoort op 15 november. En net als in Loo en Pannerden, moet een handjevol overgebleven achterblijvers rond 15 januari 1945 alsnog vertrekken.

Evacuatie Duiven, 15 – 17 november 1944

Zoals gezegd, treft een groepje Duivenaren al kort na de Slag om Arnhem voorbereidingen, voor het geval hun woonplaats moet worden ontruimd. En inderdaad, op 15 november 1944 volgt het ontruimingsbevel vanwege het naderbij komende front. De evacuatie verloopt niet vlekkeloos, aangezien een deel van de gevorderde paarden en wagens ontbreekt. Toch scheelt het dat de inwoners onder relatieve bescherming van Rode Kruis-doeken met wagens kunnen worden vervoerd. Even is er sprake van bestemming Friesland, maar dat wordt op het laatste moment Varsseveld. Daar krijgen ze bij boeren onderdak. De Achterhoek is tenminste nog redelijk dichtbij.

Maar eerst is houden de inwoners uitverkoop. Het is herfst, dus veel boeren, tuinders en bewoners hebben juist flinke voedselvoorraden in huis. Ze kunnen moeilijk alles meenemen en wat achterblijft, wordt ongetwijfeld ingepikt. Dan kun je de overschotten beter zelf te gelde maken. Kennelijk gaat het nieuws van de evacuatie als een lopend vuurtje rond. Van alle kanten stromen mensen naar Duiven toe om een extra wintervoorraad in te slaan. Aardappelen, tarwe, kippen, konijnen, schapen, biggen, varkens en kalveren veranderen van eigenaar.

In Zevenaar zien de bewoners op 15 november de eerste evacués uit Duiven voorbijkomen. Waarschijnlijk hebben zij zelf ergens onderdak geregeld. De georganiseerde evacuatie volgt op zaterdag 17 en zondag 18 november. Het is een triest beeld, al die wegtrekkende mensen op wagens en karren.

Dat de vrees voor roof en diefstal gegrond is, blijkt een dag later. Een handjevol bewoners mag blijven op de Eng bij Duiven. Wanneer een van hen, mevrouw W. Veldman, de volgende dag op haar fiets met harde banden langs de verlaten huizen rijdt, ziet zij hier en daar al deuren open staan. Uit de richting van Velp komen mensen met roeibootjes over de IJssel om te zien of er wat te halen valt.

Aanvankelijk keren groepjes evacués vanuit Varsseveld nog regelmatig terug om levensmiddelen en spullen op te halen. A. Boss, de evacuatieleider, vertelt op welke voorwaarden dit mag van de Duitsers: ‘Er was veel in de grond gestopt zoals aardappels, appels en wortelen. We stelden een speciale colonne samen van zo’n 7 à 8 personen die eigen wagens bij zich hadden. En die gingen dan met de nodige papieren gewapend naar Duiven en Groessen. De helft van wat ze meebrachten moest worden afgegeven bij de [Duitse] centrale keuken. De andere helft was voor eigen gebruik. Dat heeft geduurd tot paard en wagens onderweg werden afgenomen.’

De achterblijvers op de Eng buiten Duiven en in Loo zitten op eigen risico in het frontgebied. Er is geen dokter, politie of brandweer in de buurt. Stroom en water zijn er ook niet meer. Maar men moet er wat voor over hebben om bezittingen te beschermen. Doorgaans blijven de volwassen kinderen uit een gezin.
Op de Eng verblijft de Duitse majoor of commandant Peltzer. Met hem valt nog wel wat te regelen. Pasjes of Ausweise, bijvoorbeeld, in ruil voor hand en spandiensten aan de Duitsers. Zoals transport met boerenwagens of levering van voedsel voor de keukenwagen van de ingekwartierde militairen.

Evacuatie Groessen, vanaf 18 en 19 november 1944

De ontruimingen van dorpen in het zuidwesten van de streek vinden voor een deel gelijktijdig plaats. Dat is logisch, want het gebied raakt veelvuldig betrokken bij de gevechtshandelingen in de buurt.
Op 15 november 1944 krijgt een deel van de bewoners in Groessen bevel om te vertrekken. De mensen uit Loo, die hier in september veiligheid hadden gezocht, moeten dus voor de tweede maal weg. De evacués reizen op zondag 18 en maandag 19 november met het in Duiven georganiseerde transport naar Varsseveld. In Groessen neemt schoolmeester Berentsen de leiding op zich.

Niet dat Varsseveld zo voortreffelijk is berekend op die plotselinge bevolkingsaanwas. Soms verblijven er wel drie of vier gezinnen op één adres. Er ontstaan irritaties, maar na herplaatsing gaat het samenleven beter. Wel blijft de voedselvoorziening een zorg. Vandaar dat er nog tot in januari 1945 voedselexpedities naar Groessen worden georganiseerd.

Totdat de Duitsers beginnen te beseffen dat zij het aanwezige voedsel zelf kunnen gebruiken. Eind november rijden er door Zevenaar geregeld karren die koren in Groessen ophalen voor de Duitsers. Bovendien verblijven er honderden dwangarbeiders in het dorp, die op een karig dagrantsoen moeten leven. Zij gaan al gauw op onderzoek uit en laten zich de gevonden etenswaren goed smaken.

Twee maanden later, op 15 januari 1945, moeten ook hier de achterblijvers vertrekken. Er woont dan bijna niemand meer in het dorp. En de hongerige dwangarbeiders? De laatsten zijn al begin januari voor een nieuwe klus naar Wageningen overgebracht.

Evacuatie Zevenaar afgewend

Zevenaar ligt wat verder af van de frontlinie langs de Rijn. Toch komt daar op 16 november het bericht dat de stad moet evacueren. Burgemeester Borst stapt naar Dr. Schneider, de Beauftragte, ofwel gemachtigde van de Rijkscommissaris in Gelderland. Daar is hij aan het verkeerde adres, want het zijn de commandanten van de Wehrmacht die mogen bepalen of een gebied wordt ontruimd.

De burgemeester wijst erop dat de Rijn doorgaans in de winter buiten zijn oevers treedt. Dat maakt het gebied sowieso onbegaanbaar voor voertuigen van geallieerde troepen. Ook stelt hij dat het bouwland rondom Zevenaar nodig is voor voedselproductie. Waarschijnlijk zal dit argument de Beauftragte een zorg zijn, maar de burgemeester heeft wel een punt wat de Rijn betreft. Uiteindelijk regelt burgemeester Borst met de Ortskommandant in Zevenaar dat de ontruiming wordt afgelast. Wel blijft dat nog dagenlang onzeker.

In februari 1945 dreigt wederom evacuatie. Opnieuw weet de burgemeester een ontruiming af te wenden dankzij palaver met de Duitsers. De bewoners halen opgelucht adem.

Evacuatie Babberich, Ooy en Oud-Zevenaar, 12 februari 1945

Voor de nabij gelegen dorpjes Babberich, Ooy en Oud-Zevenaar eindigt de onderhandeling in februari 1945 tussen de Zevenaarse burgemeester en de Duitsers minder gunstig. Reeds in januari is bepaald dat alle plaatsen ten zuiden van de spoorlijn Zevenaar-Emmerich moeten evacueren.

De bewoners beseffen zelf evengoed hoe gevaarlijk hun woongebied is geworden. Geallieerde beschietingen vanuit de Betuwe zijn aan de orde van de dag. Iedereen heeft er genoeg van om steeds maar te moeten schuilen. Wie het krijgsgeweld tot dan toe heeft getrotseerd, vertrekt alsnog op 12 februari 1945. Al zijn er in Oud-Zevenaar, Ooy en Babberich eveneens enkele blijvers.

Evacuatie Herwen & Aerdt, Lobith en Tolkamer, 2 november 1944 en 10 – 14 februari 1945

Vanaf eind september zien de inwoners van Herwen en Aerdt regelmatig evacués arriveren. Ze komen uit de dorpen langs de Rijn en van de overzijde uit de Betuwe. De twee plaatsen liggen hemelsbreed vijf à zes kilometer verder af van de rivier en dat scheelt. Voor even dan, want op 2 november vernemen de in Herwen, Aerdt, Lobith en Tolkamer toegestroomde evacués dat ze daar weer weg moeten. Het merendeel pakt de koffers maar weer in en vertrekt. Toch zijn er tegen het jaareinde nog ongeveer 700 evacués uit de Betuwe in Herwen & Aerdt.

Enkele weken daarna komen er alweer nieuwe evacués: de achterblijvers uit Westervoort, Groessen, Loo en Pannerden. Maar feitelijk is het ook hier niet uit te houden. Uit alle macht willen de Duitsers in de Liemers standhouden. Vooral vanaf hun stellingen langs het Pannerdense Kanaal en hoog op de Elterberg nemen ze de Betuwe en de omgeving van Nijmegen onder vuur. De geallieerden laten ook zich niet onbetuigd. Daarom zitten de bewoners en evacués vaker in de schuilkelders dan erbuiten.

‘Zelfs diegene die altijd zeiden dat ze nooit zouden evacueren, begonnen te twijfelen.’, vertelt J.A. Jansen uit Herwen. ‘Tot op zeker dag het bevel van de Wehrmacht kwam dat we gedwongen werden te evacueren. We moesten allemaal onze huizen uit, maar voor één nacht mochten we nog in Herwen blijven en wel in een fruitschuur van Jozef Nöij. Vanwege de betonnen zoldering was het daar behoorlijk veilig. … In de schuur van Nöij waren die nacht zo’n zestig personen.’ Didam blijkt nauwelijks veiliger: ‘Voor het overgrote deel maakten alle evacuees hetzelfde mee. Schuilkelder in, schuilkelder uit, want ook hier vielen bommen en granaten. Ook aan levensgevaar raak je gewend.’

De evacuatie van Lobith, Tolkamer en Spijk geschiedt op 10 en 11 februari 1945. Herwen & Aerdt volgen op 14 februari. En enkele standvastige personen blijven tot 28 februari. De meeste bewoners brengen hun evacuatietijd in de Achterhoek door.

Evacuatie Spijk, 10 en 11 februari 1945

Van alle ontruimingen in de Liemers, is die van Spijk misschien wel het zwaarst. De inwoners ontberen elke vorm van hulp en vertrekken onder belabberde omstandigheden. Hoog water vormt het grootste obstakel. Door de werking van de Spijkse Overlaat staat het achterliggende poldergebied blank. Daar zitten de bewoners dus al in de nattigheid. Bovendien zijn de mensen in het dorp afgesneden van de rest van het Gelders Eiland. Dat komt de communicatie niet ten goede. Zo vernemen ambtenaren in Lobith al op 7 februari dat het eiland moet worden ontruimd, terwijl de mensen in Spijk op 10 februari nog nergens van weten. En op die dag moeten zij hun huis uit zijn.

Stelt u zich eens voor. Het is hartje winter, 18.00 uur op zaterdagavond 10 februari, buiten koud en aardedonker. Er is geen elektriciteit en de ramen zijn verduisterd. Binnen zit een gezin met vier kleine kinderen; de jongste is een twee maanden oude zuigeling. Plots klinkt er hard gebonk op de deur. Een soldaat van de Wehrmacht staat buiten met een geweer. Om tien uur moet dit huis verlaten zijn, bast hij. Wie blijft, wordt doodgeschoten. Hals over kop pakken de bewoners kleding en etenswaren in. Maar hoe sleep je alles mee?

Van de smid kunnen ze een karretje krijgen, dat nog snel moet worden gerepareerd. Het karretje krijgt een vracht met klein huisraad en andere benodigdheden. Aan de zijkanten worden zakken vol levensmiddelen opgehangen en het linnengoed wordt in de kinderwagen gestouwd. Daarbovenop slaapt de baby. Om 19.30 uur gaat het stel op pad. Maar het is hondenweer en het wordt nog slechter ook. Dus brengen ze die eerste nacht vlakbij in de steenoven door.

De volgende dag gaan ze nog even terug naar huis om wat kleinigheden op te halen. Alleen zitten ze zonder melk. Een Duitse luitenant is coulant. Ze mogen een koe melken van iemand die al weg is en krijgen nog een konijn mee ook.

Mevrouw J. Wouterse-Hamstra vertelt hoe de mannen daarna voor het graafwerk aan de verdedigingslinie worden geclaimd: ‘Toen we verder wilden gaan, kwam er een [Organisation] Todt-soldaat. Hij zei dat we nog ’n dag of drie in de steenfabriek moesten doorbrengen, onze mannen moesten dan werken voor de Todt. Maar ’n paar minuten later kwam de Duitse luitenant en verklaarde dat wij, vrouwen en kinderen, verder moesten en de mannen daar blijven. Dat was op ’t moment nog het ergste wat ons overkomen kon. We hebben de luitenant opgezocht en gesmeekt of onze mannen ons tenminste weg mochten brengen. Hij vroeg waar we heen wilden en eindelijk kregen ze drie uur verlof om ons weg te brengen.’

Het is tekenend voor het gebrek aan coördinatie bij de evacuatie en voor de organisatorische chaos bij de verschillende Duitse partijen in het gebied.

Wat volgt, is een loodzware tocht. ‘Als dieven zijn we gevlucht. Door ’n vreeselijke modderige weg, waar we elkaar af en toe helpen moesten, zijn we gegaan over Hüthem en Borghees en daar knapte de as van het rad van het wagentje. Gelukkig hadden we een reservewiel bij ons. In Borghees kregen we onderweg bij mensen ook nog melk en brood. En Laura [de baby] heb ik daar ook gevoed. En zoo verder gelopen naar ‘s-Heerenberg. We wilden daar onderdak vragen voor de nacht. We waren vreeselijk moe. Moeder had steeds met haar 74 jaar nog het wandelwagentje geduwd met Tonny er in. Maar daar kregen we de boodschap: verder naar Zeddam. Nu ging het steeds berg op en berg af. Anny heeft heelemaal geloopen, maar Willy werd hier zoo ellendig moe. Ze zei niets, maar liet ’t hoofdje achterover hangen en slofte maar door.’ Zo gaat de tocht verder naar Zeddam, waar het gezin en oma overnachten op een kale, harde vloer.

Elders is de Liemers bomvol

Het relaas van mevrouw J. Wouterse-Hamstra weerspiegelt de situatie in de omliggende regio van het spergebied. Wanneer het gezin in ’s-Heerenberg arriveert, is het stadje reeds door vluchtelingen overspoeld. Het niet-ontruimde deel van de Liemers zit in februari 1945 propvol. Er verblijven duizenden vluchtelingen uit de Liemers zelf, maar ook uit de Betuwe, de Ooijpolder, Limburg en het Hollandse kustgebied. Bovendien is deze streek, samen met de Achterhoek, een toevluchtsoord voor onderduikers, voedselzoekers en uit Duitsland terugkerende dwangarbeiders. Dat vergt nogal wat van de opvangende gemeenten qua voedselvoorziening en medische zorg.

Op 13 februari reist het gezin uit Spijk samen met andere evacués op karren verder naar Doetinchem, waar ze slapen in Café Bloemers . Twee dagen later zorgt de evacuatiedienst voor transport per tram naar Lichtenvoorde. Zelf loopt het gezin naar Varsseveld, waar voor eten en overnachting in de Deco meubelfabriek is gezorgd. Op 16 februari gaan ze na een goed ontbijt verder naar Lichtenvoorde, waar geen plaats is voor een heel gezin. Dus lopen ze verder naar Groenlo. Met een paar boterhammen sterken ze aan. Vervolgens kunnen ze met karren naar Eibergen toe. Het wordt al donker wanneer ze op een andere kar naar Rekken rijden. Daar moet het gezin met vier kinderen en hun oma zich behelpen in een paar muffe hokken als onderkomen met een geleende potkachel op het erf van een pachtboerderij. En nog zijn hun omzwervingen niet voorbij. …

Overzicht evacuatie uit de Liemers

Onderstaand overzicht bevat voornamelijk vertrekdata uit verhalen. Evenals bij de ontruimingen langs de Veluwezoom, is de literatuur soms niet eenduidig. Dus eventuele aanvullingen en correcties zijn welkom.

  • Pannerden: 24 september 1944 en 15 januari 1945.
  • Loo: 27 en 28 september 1944 richting Groessen, 13 en 14 oktober Loodijk, 15 januari 1945 vertrek van de meeste achterblijvers.
  • Westervoort: 28 september 1944 gedeeltelijk, 16 – 17 november gedeeltelijk, 15 januari 1945 vertrek van de meeste achterblijvers.
  • Duiven: 15 – 17 november 1944.
  • Groessen: 18 en 19 november 1944 richting Steenwijk en Varsseveld, 15 januari 1945 vertrek van de meeste achterblijvers.
  • Oud-Zevenaar: 10 – 12 februari 1945.
  • Babberich: 10 – 12 februari 1945.
  • Ooy: 10 – 12 februari 1945.
  • Lobith: (2 november 1944 alleen de aanwezige evacués), 10 en 11 februari 1945.
  • Tolkamer: 10 en 11 februari 1945.
  • Spijk: 10 en 11 februari 1945.
  • Herwen & Aerdt: (2 november 1944 alleen de aanwezige evacués), 14 februari 1945.
  • Zevenaar: kan blijven.

(Literatuur. Bron evacuatieleider A. Boss: Ik herinner me. Bron dagboekherinneringen verslag Henk Goris, Loodijk, met aanvullingen José Goris, Loo. Bron checklist spullen voor evacuatie: documentatie voor Oorlog over het Gelders Eiland. Bron informatie Pannerden, Lobith, Tolkamer, Herwen & Aerdt, Oud-Zevenaar, Ooy en Babberich voornamelijk uit: dagboek burgemeester Cremers. Bron de Zweekhorst: Ik herinner me. Bron verlaten huizen met openstaande deuren in Duiven: Ik herinner me, mevrouw W. Veldman. Bron evacuatie Westervoort o.a.: levenindeliemers.nl, Bob Gerritsen, Liemers Museum. Bron dagboek van J. Wouterse-Hamstra uit Spijk: documentatie voor Oorlog over het Gelders Eiland. Bron evacuatie van Herwen (J.A. Jansen): Oorlog over het Gelders Eiland. Bron hoogwater situatie Spijk: Rijnwaarden in historisch perspectief, Leen den Besten. Zie bij Bronnen voor meer over de geraadpleegde literatuur.)

(Afbeeldingen. Foto buitengebied Pannerden, Karin van Veen, 2019.
Foto evacuatie Westervoort met paard en wagen, Historische Kring Westervoort nr 0912-5272, fotograaf onbekend.
Foto evacuatie Westervoort wachtende mensen voor het viaduct bij de Dorpstraat, Historische Kring Westervoort nr 001400, fotograaf onbekend.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.