De Betuwe 1944: offensief, evacuatie en inundatie

(Wat vooraf gaat. Op 6 september 1944 start de aanleg van de Duitse Panther-Stellung langs de Rijn van Spijk tot Rhenen. Na de Slag om Arnhem beschouwen de Duitsers de Over-Betuwe als voorportaal van deze verdedigingslinie. Dus willen ze de geallieerden terugdringen en de bewoners moeten weg.)

De Duitsers hebben de Slag om Arnhem gewonnen, maar zijn nog niet van de geallieerden af. In grote delen van de Betuwe hebben Britten en Amerikanen stellingen ingenomen, direct aan de overzijde van de Waal en de Rijn. Ook is de brug bij Nijmegen in geallieerde handen.

Dit zint de Duitse legerleiders niet. Zij beschouwen de driehoek Nijmegen, Arnhem, Millingen als ‘den Schlüssel zum Reich’. Via dit zwakke punt in het front kunnen de geallieerden vrij makkelijk een gemotoriseerde opmars maken over de Westfaalse laagvlakte naar het cruciale Ruhrgebied. Daarom moeten de geallieerden in westelijke richting worden teruggedrongen met een offensief. Helaas krijgt het resultaat negatieve gevolgen voor de dwangarbeiders aan de overzijde van de Rijn.

Het Duitse offensief in de Betuwe, 1 – 7 oktober 1944

De start van het offensief in de Betuwe staat op 1 oktober 1944 gepland. Duitse troepen steken vanaf de Grebbeberg de Rijn over en rukken op vanuit de West-Betuwe. Een ander deel van de Duitse aanval vindt plaats vanuit Velp en Arnhem. Daar zien de vertrekkende evacués veel militairen en onder bomen verdekt opgestelde tanks staan langs grote uitvalswegen. Zo’n standplaats van militairen brengt gevaar mee voor de bevolking. Op 6 oktober voeren geallieerde jachtbommenwerpers aanvallen uit op Duitse legervoertuigen die door het centrum van Velp rijden. Hierbij vallen veel (burger)slachtoffers en de schade aan huizen is groot.

Het Duitse lucht- en grondoffensief in de Betuwe duurt van 1 tot en met 7 oktober 1944. In deze harde strijd verschuift de frontlijn soms slechts honderd meter. Het zompige terrein van de Betuwe hindert iedereen.

Britse militaire boodschapper met motor en duwend jongetje in de modder, december 1944.

Om vijandelijke bewegingen te belemmeren, sneuvelen meerdere bruggen. Zo moet de spoorbrug over de Rijn bij Rhenen het voor de tweede maal ontgelden. Deze brug werd eerst in mei 1940 door de Nederlanders opgeblazen. Later herstellen de Duitsers het bouwwerk, maar op 2 oktober 1944 vernietigen de geallieerden deze spoorbrug alsnog. Die dag voeren de Britten ook een bombardement uit op Huissen, met bijna honderd dodelijke slachtoffers tot gevolg.

De Arnhemse Rijnbrug is in Duitse handen, wat gunstig is voor hun bevoorrading en troepenverplaatsingen. Om die reden bombarderen de geallieerden tijdens het offensief ook deze verkeersbrug. Die raakt zwaar beschadigd op 6 oktober, maar de Duitse Pioniere herstellen de brug snel. Binnen een dag is een rijbaan weer begaanbaar. Vervolgens intensiveren de geallieerden hun luchtaanvallen en –bombardementen. Opnieuw is de Rijnbrug doelwit en deze keer storten grote brugdelen in het water. Het mag niet baten. De Duitsers leggen rubberpontons aan, waarna zij alsnog hun zware pantservoertuigen overzetten.

Evacués op de noordelijke afrit van de Rijnbrug in Arnhem, september 1944.

Tot aan de vernietiging van de Arnhemse verkeersbrug staan de Duitsers burgers toe om er gebruik van maken. De bevolking mag in kleine groepjes oversteken naar Arnhem toe. Een oversteek naar het zuiden is echter verboden, waarschijnlijk uit vrees voor spionage.

Aan het eind van de zevende en laatste dag geeft generaal-veldmaarschalk Model bevel om het zinloze offensief te stoppen. Zijn doel om Driel, Elst en Nijmegen in te nemen, is mislukt. Vervolgens trekken de Duitse troepen zich gedeeltelijk terug. Bij Huissen liggen acht extra veerboten klaar en verder beschikken ze over talrijke motorbootjes. Een deel van de militairen bewaakt de bruggenhoofden in de Betuwe en de rest verzamelt rond Velp.

Op 9 oktober zien inwoners van Zevenaar veel tanks op wegen passeren. Een deel van de Wehrmacht militairen vertrekt naar Aken, waar zij harder nodig zijn vanwege geallieerde troepenverplaatsingen. Ondertussen nemen andere Duitse militairen stellingen in op de hoger gelegen Veluwezoom en in de Liemers, vanwaar ze de standvastige geallieerden in de Betuwe blijven bestoken.

Pontjes, pontons en bruggenhoofden

Vanaf oktober 1944 maakt de noordzijde van de Rijn tussen de Grebbeberg en Spijk deel uit van de Duitse frontlinie. Ook behoudt de bezettingsmacht kleine bruggenhoofden bij Elden ten zuidwesten van Arnhem, bij het Loo-veer ten oosten van Huissen, bij Angeren, bij Doornenburg tegenover Pannerden, en bij Millingen en Tolkamer (met Schnellboote). Bij Pannerden gaat het afwisselend om een veerpont, kleine bootjes, Schnellboote en een pontonveer stroomopwaarts. Er zinken namelijk diverse pontjes en de geallieerden vernietigen alternatief vervoer. Op militaire kaarten staan eveneens veerpontjes ingetekend bij Randwijk, Renkum, Heteren, kasteel Doorwerth en Heveadorp. (Bij Heveadorp staat ‘active’.) Waarschijnlijk zijn de overige verbindingen inactief of slechts tijdelijk in gebruik.

Het II. SS Panzer Korps bezet in die periode de Lingewaard en delen van de Neder-Betuwe, waarbij het Velpse hotel Beekhuizen als commandopost fungeert. Tijdens troepenwisselingen wordt Velp regelmatig overspoeld door manschappen die zich bij burgers inkwartieren.

Verstarde frontlinie Betuwe herfst en winter 1944/1945

In oktober 1944 boeken de strijdende partijen weinig vooruitgang meer en verstart het front in de Betuwe. De Duitsers zitten in de Liemers en langs de zuidelijke Veluwezoom, terwijl de geallieerden zich in de omgeving van Nijmegen stevig hebben genesteld. Desondanks blijven de geallieerden en de 10. SS Panzer Division in de Betuwe maandenlang een stellingenoorlog voeren. Bijvoorbeeld met acties van stoot- en verkenningstroepen vanuit de bruggenhoofden.

Zo wordt Gendt vanaf oktober vrijwel alleen nog bewoond door Duitse soldaten. Ze verschuilen zich in de inmiddels verlaten woonhuizen. ’s Nachts gebeurt er van alles. Militairen trekken heimelijk naar het front en transporteren allerlei materialen. En via het noodveer Pannerden – Doornenburg transporteren ze hun zware tanks naar de Betuwe. Begin november weert het II. SS Panzer Korps zonder veel moeite Britse aanvallen af op de bruggenhoofden bij Arnhem en bij Doornenburg.

Vanzelfsprekend is een verblijf op het strijdtoneel geen pretje voor de bewoners. In de herfst van 1944 moeten ouderen, vrouwen en kinderen de Betuwe ten oosten van het Amsterdam Rijnkanaal verlaten. Circa 4.000 mannen blijven rond december achter. Het zijn voornamelijk boeren en landbouwers die weigeren te vertrekken. Onder toezicht van militairen verzorgen zij het vee en halen ze de oogst binnen.

Gedurende de wintermaanden van 1944/’45 vinden er geen grote aanvallen plaats. Wel beschieten de geallieerden en de Duitsers elkaar regelmatig. Dat gaat tot aan de bevrijding door. Geallieerde piloten gebruiken de loop van de grote rivieren als leidraad op hun route van Engeland naar Duitsland. Het is een riskante keuze, want in de Betuwe staat relatief veel Duits luchtafweergeschut opgesteld.

Beide partijen beheren delen van de Betuwe, waar een strook niemandsland met mijnenvelden en prikkeldraad het rivierengebied doorsnijdt. Van tientallen kilometers afstand beschieten de geallieerden ook de Duitse stellingen ten noorden van de Rijn. Daarom is dit werkterrein zo gevaarlijk voor de duizenden dwangarbeiders die hier voor de Panther-Stellung aan het werk zijn.

Operatie Fall Storch: 2 december 1944, dijk bij Elden

Begin december 1944 staat het water in de Rijn ruim twaalf meter boven NAP. De Duitsers besluiten om deze situatie te benutten en passen een eeuwenoude verdedigingstactiek toe. Genisten blazen op 2 december de zuidelijke Rijndijk op bij Elden. Dit gebeurt ongeveer 500 meter ten oosten van de vernielde spoorbrug bij Oosterbeek.

Met dynamiet gecreëerde dijkdoorbraak bij Elden, december 1944.

Door een gat van honderd meter overstroomt nu een groot deel van de Betuwe ten oosten van het Amsterdam Rijnkanaal. De dijk bij dat kanaal houdt slechts ternauwernood een dreigende vloed richting Tiel en het westen tegen. Ook de Griftdijk bij Elst en de Erlecomse Dam in de Ooijpolder moeten eraan geloven. En de spoordijk ten noorden van Elst bezwijkt vanzelf onder de enorme waterdruk.

Veel in de Betuwe achtergebleven bewoners moeten nu alsnog hun woning of boerderij verlaten. Het water verdrijft ook de Britten in de Betuwe uit hun stellingen, zodat de Duitsers het terrein nu makkelijker kunnen controleren. Zelf moeten zij echter eveneens een deel van hun stellingen opgeven. Ze behouden enkel wat voorposten.

Maar wat voor de Duitse verdediging belangrijk is: de watermassa heeft de route via het laaggelegen land naar Kleef afgesneden. Zo spelen de Duitsers voor het Ardennenoffensief manschappen vrij. Ze verplaatsen hun zware militaire materieel naar Aken en trekken verder op richting de Waal.

Na de dijkdoorbraak blijven alleen de hoge dijken en het gebied tussen Slijk-Ewijk, Oosterhout, Ressen en Lent droog. Verder steekt er nog een smalle strook land bij Driel, Heteren, Randwijk en Opheusden boven de watervlakte uit. In sommige plaatsen, zoals Driel, staat het water in de huizen wel een meter hoog.

Inundatie Betuwe 1944, Waterschaprivierenland.

Nieuwe Amsterdamsche Courant. Algemeen Handelsblad, vrijdag 8 december 1944. ‘Geallieerde stellingen nabij Arnhem door overstroomingen bedreigd. Hoofdkwartier van den führer, 7 Dec. Het opperbevel van de Weermacht deelt mede: “De overstroomingen ten Zuidwesten van Arnhem hebben een zoodanige omvang aangenomen, dat de vijand gedwongen is steeds nieuwe deelen van zijn stellingen op den zuidelijken oever van den Beneden-Rijn ten spoedigste te ontruimen.”‘

Dit kan het opperbevel dan wel triomfantelijk mededelen; de wateroverlast is toch erger dan de bedoeling was. Duitse genisten proberen het gat bij Elden alsnog te dichten door er enkele kleine schepen in te laten zinken. Wanneer het niet lukt om zo een dam te vormen, moeten 20.000 zandzakken soelaas bieden. Die worden in het gat gedumpt en keurig aan de Nederlandse leverancier betaald.

Barre omstandigheden in november 1944 op een ondergelopen dijkweg.

Halverwege december 1944 begint het water langzaam weer te zakken. Kort daarop treedt de vorst in en verandert de Betuwe in een enorme ijsvlakte.

Britse militairen met kanon, bij Elst vastgelopen in de bevroren modder, december 1944.

Gedurende die ijskoude winter fluctueert het waterpeil, maar nog tot in maart 1945 staan grote gebieden blank. In die laatste maanden patrouilleren Duitse en geallieerde militairen vanuit bootjes. In de eveneens ondergelopen Ooijpolder gebruiken de geallieerden amfibievoertuigen. Het is een soort kat-en-muisspel in het duister. Beide strijdende partijen varen van zolder naar zolder en richten daar strategische controleposten in.

Britse sluipschutter op een zolder, februari 1945.

Vluchtelingen en evacuaties

Tienduizenden vluchtelingen verlaten de Betuwe, gedwongen door militairen, gevechten of hoogwater. Hier blijkt maar weer hoe het lot mensen parten kan spelen. Want vanaf eind september 1944 moet de ene groep naar het noordoosten evacueren, waar hen nog acht lange oorlogsmaanden te wachten staan; terwijl de andere groep naar het zuiden trekt en een bestaan in vrijheid tegemoet gaat.

Zo worden de 6.000 inwoners van het zwaar gebombardeerde Huissen naar het noorden gedirigeerd. Onder de vluchtelingen bevinden zich 4.000 mensen uit Arnhem en Elden, die juist in Huissen veiligheid hadden gezocht. Twaalf kilometer verderop kunnen de inwoners van Driel een andere kant uit gaan. Hun bestemming is het zuidwesten; het door de geallieerden bevrijde deel van Nederland.

Elders in de Betuwe raakt de bevolking verstrikt in het militaire gewoel. In de nacht van 9 op 10 oktober zet het noodpont Pannerden – Doornenburg zware Duitse tanks naar de Betuwe over. De volgende dag halen de Duitsers honderden koeien uit het verlaten Gendt. Te midden van de troepenverplaatsingen, moeten evacués uit Angeren en Gendt de oversteek maken. Een lange stoet trekt over de dijken naar het noodveer bij Doornenburg toe.

Daar, bovenop de onbeschutte dijken, is het echter alles behalve veilig. En dan moeten de mensen ook nog lang wachten. Terugtrekkende troepen van de 9e en 10e SS-Pantserdivisies gaan namelijk voor. De 9e gaat naar Duitsland, terwijl de 10e SS-Pantserdivisie zich installeert bij bruggenhoofden in Huissen, Angeren en Doornenburg.

Op 17 oktober noteert mevrouw Bets van Driel hierover in haar dagboek: ‘Toen we goed en wel over waren, kwamen we onder granaatvuur. Allemaal plat op de grond of in een eenmansgat. Gelukkig, niemand van ons gedeerd. Nog twee keer moesten we dekking zoeken. Wagens, koffers en kruiwagens stonden verlaten op de dijk. Eindelijk ging het weer verder en trokken we over het Bergse hoofd door Zevenaar naar Didam.’ Zo blijkt dat de eenmansgaten van de verdedigingslinie wel ergens goed voor zijn.

Op 21 oktober 1944 is ook de evacuatie van de Ooijpolder richting de Liemers achter de rug.

Aankomst evacués in de Liemers en de Achterhoek

In oktober komen evacués uit tal van plaatsen na een lange omweg in de Liemers aan. Zoals in Bergh, na de geallieerde gevechten bij Nijmegen en bij de Maas. ‘Daar kwamen ze aan gesjokt met volgeladen fietsen en de meest primitieve wagentjes. Kou kleumend van de druilregen. Ze konden haast niet meer. Van Kleef naar ’s-Heerenberg, almaar lopen, trekken en duwen. Ouden en jongen, rijken en armen, gezonden en zieken. De eersten [rond 21 oktober] waren van Groesbeek, Millingen, Leuth, Kekerdom en Doornenburg.’ Het Bureau Afvoer Burgerbevolking zorgt voor de spreiding en doorvoer van de evacués.

Wat verderop in de Achterhoek worden Wisch, Terborg en Varsseveld compleet overspoeld. Vanaf 21 oktober verblijven er duizenden vluchtelingen uit onder meer Kekerdom, Millingen, Angeren, Huissen, Doornenburg, Gendt, Arnhem, Lobith, Duiven, Groessen en Loo. Gelukkig heeft het Rode Kruis dan al uit voorzorg een comité opgericht. Die laatste oorlogswinter vangt de Achterhoek tegelijkertijd grote groepen ontheemden op uit Limburg, Den Haag en Scheveningen. Dit naast tal van onderduikers, voedselzoekers, uit Duitsland terugkerende dwangarbeiders en verder nog wat verdwaalde geallieerden.

Overigens kunnen de ‘jongelui’ het avontuurlijke van de evacuatie wel waarderen. In hun ballingsoorden ontmoeten ze vaak bekenden en ze leren er gelijk wat nieuwe mensen kennen. Regelmatig organiseert iemand een feestje, compleet met viool, accordeon en piano. Mevrouw Van Driel schrijft op zondag 3 december dat ze een reuze gezellige avond heeft gehad. Er wordt dus ook volop gelééfd.

Overzicht evacuatie plaatsen in de Betuwe langs de Rijn

  • Driel: na de Slag om Arnhem, naar het bevrijde zuidwesten.
  • Elden: 29 september richting de Veluwe, via de Praets naar het noordoosten.
  • Huissen: 2 oktober tot eind november, richting het noordoosten.
  • Pannerden, Betuwse kant: 6 oktober 1944, naar het noorden.
  • Doornenburg: 7 oktober, via het noodpont bij Pannerden naar het noorden.
  • Gendt: 7 oktober, via het noodpont bij Pannerden naar het noorden.
  • Angeren: 13 oktober, via de Praets en pont bij Pannerden naar het noordoosten.
Inundatie bij Driel en de Rijn, richting het noorden gezien, 13 februari 1945.

(Literatuur. Bronnen militaire activiteiten in de Betuwe: Een andere kijk, (inundatie) waterschaprivierenland.nl. Bron dagboek Bets van Driel, Gendt: Exodushuissen.nl. Bronnen evacuatie uit de Betuwe naar de Liemers: Oorlog over het Gelders Eiland, (Bergh) Er op of er onder. Zie Bronnen voor deze en andere geraadpleegde literatuur.)

(Afbeeldingen. Foto Britse militair in modder: © IWM B 12745, 11-12-1944, foto Sgt B. Hardy, A small boy helps a motorcycle despatch rider negotiate a muddy road in Holland.)
(Foto evacués op Rijnbrug: Gelders Archief 1560-4322, Arnhem, 1944, fotograaf onbekend, Public Domain Mark 1.0 licentie.)
(Foto dijkdoorbraak Elden: Gelders Archief 1560-5053, foto uit 1945, fotograaf onbekend, Public Domain Mark 1.0 licentie.)
(Afbeelding kaartje met inundaties Betuwe 2 december 1944, waterschaprivierenland.nl, rivierenland onder water.)
(Foto vastgelopen Britse militairen met kanon bij Elst: © IWM B 12983, 15-12-1944, foto Sgt Stiggins, mobile Bofors gun of 89th Light Anti-Aircraft Regiment at Elst in Holland.)
(Foto Britse militair op zolder: © IWM B 14628, 14-02-1945, foto Sgt Silverside, a sniper from the “C” Company, 5th Battalion, Black Watch, 51st (Highland) Division, in position in the loft space of a ruined building in Gennep, Holland.)
(Foto Britse militair en burgers op ondergelopen weg: © IWM B 11816, 08-11-1944, foto Sgt Wilkes, A despatch rider pushes his motorcycle along a flooded road in Holland, past an artillery tractor which has got stuck in a ditch.)
(Luchtfoto ondergelopen land Betuwe: Gelders Archief 1560-1013 Inundatie Driel en de Rijn 13-2-1945 RAF fotograaf onbekend, Public Domain Mark 1.0 licentie.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.