Lotgevallen na de Apeldoornse razzia

(Wat vooraf gaat. Op 6 september 1944 start de aanleg van de Panther-Stellung in de Liemers. Van Spijk tot Rhenen verandert een strook grond ten noorden van de Rijn in frontgebied. De Duitsers voeren dwangarbeiders naar het deels ontruimde terrein voor de bouw van de verdedigingslinie.)

Wegduiken of meegaan?

Wat doe je als ze voor de deur staan? In 1944 denken veel Nederlandse mannen na over deze vraag. Want stel dat er plotseling een razzia begint; werk je dan mee? Zet je alvast een tas klaar met kleding en scheergerei? Of duik je onder en kruip je weg achter een luik? Tijdens razzia’s zijn er waaghalzen die desnoods via hun zolderraam het dak op klimmen om aan de Duitsers te ontsnappen. Maar de Duitsers sluiten vooraf alle wegen af en bewaking is overal.

Het graafwerk aan de verdedigingslinies rond Zevenaar vereist veel mankracht. Mannen zijn er genoeg in Apeldoorn. Die stad is na de Slag om Arnhem flink uitgedijd door de komst van ruim 40.000 nieuwkomers. Het zijn voornamelijk evacués uit het pas ontruimde Arnhem en diverse dorpen langs de zuidelijke Veluwezoom. Eind september 1944 zijn hun woonplaatsen ontruimd en tot spergebied verklaard. De ontheemde inwoners werden door de Duitsers naar het noorden toe gestuurd. Sindsdien is de Apeldoornse bevolking gegroeid tot ruim 110.000 inwoners.

Razzia Apeldoorn, 2 oktober 1944

Met een ‘wervingscampagne’ voor de Arbeitseinsatz wil de bezettingsmacht drie vliegen in één klap slaan. Ten eerste zijn er gravers nodig voor de verdedigingslinies. Ten tweede zit de stad tjokvol. Voor de leefbaarheid is het beter als de bevolkingsdruk wat minder wordt. Ten derde hebben de meeste mannelijke evacués geen werk meer. Zo veel lanterfantende mannen in de kracht van hun leven bij elkaar: dat verhoogt de spanning en het risico van verzetsacties alleen maar.

In september 1944 plaatst de bezetter een oproep aan mannen in de Nieuwe Apeldoornsche Courant om aan de slag te gaan als graver. De oproep, ook via aanplakbiljetten verspreid, heeft nauwelijks effect. Op de dag van aanmelding verschijnt er slechts een handvol mannen op het Marktplein. Het affront drijft de Duitsers tot razernij. Een vergeldingsactie kan niet uitblijven.

Op 30 september arresteren de Duitsers zes leden van een verzetsgroep. Twee dagen later, op 2 oktober, fusilleren ze in alle vroegte de gevangen verzetslieden evenals twee geallieerde vliegers. Hun lichamen worden met opschriften neergelegd op acht hoeken van drukke straten en pleinen. Tegelijkertijd omsingelen de Duitsers de stad. Met rondrijdende geluidswagens roepen ze alle mannen op tussen de 17 en 50 jaar. Die moeten zich alsnog voor graafwerk melden. Wie wegblijft en wordt ontdekt, zal worden doodgeschoten.

Veel mensen in Apeldoorn denken dat de acht doden werkweigeraars zijn. Ook horen ze dat er spoorwegsabotage is gepleegd. Een herhaling daarvan zal zeker consequenties hebben voor de bevolking. Daarom komen er die dag 11.000 mannen naar het Marktplein. De Duitse bezetter kan voorlopig tevreden zijn. Het zijn 7.000 arbeiders meer dan bij eerdere oproepen was geëist.

Graafwerk bij de IJssel

Van de 11.000 mannen, worden er 4.000 onder bewaking afgevoerd naar de IJssel. Ze trekken in lange colonnes langs het Apeldoorns Kanaal en Doesburg voor stellingwerk aan de IJssellinie. Onder hen bevinden zich heel wat mannen uit het geëvacueerde Arnhem en omgeving. Na enkele weken mogen de meeste spitters naar Apeldoorn terug, maar circa 500 anderen blijven achter. Sommige mannen worden later nog in Arnhem aan het werk gezet.

De heer G.H. Maassen, is één van de vele evacués uit Oosterbeek, die vanaf eind september in Apeldoorn verblijft. Hij kan de oproepen tot verplichte arbeid moeilijk blijven negeren. Na inschrijving bij een bureau op de Markt loopt hij in een eindeloze colonne naar Dieren toe. Onderweg moeten de mannen regelmatig dekking zoeken vanwege beschietingen door Engelse piloten. Die zien de colonnes vanuit hun vliegtuigen kennelijk voor Duitse troepenbewegingen aan.

Voor de nacht krijgen de dwangarbeiders uit Apeldoorn een slaapplaats in een schoolgebouw. Daar brengt een Duitse keukenwagen warm eten langs. Vervolgens sjokken ze via Zutphen verder naar het dorpje Lathum bij de IJssel, waar ze stilhouden bij een boerderij aan een dijk. Hier is hun nieuwe onderkomen: een koeienstal. Met wat stro om op te slapen maken de mannen er maar het beste van.

Apeldoorners in de Liemers

Behalve aan de IJssellinie, worden grote groepen mannen uit Apeldoorn ingezet voor het graafwerk aan een tankgracht bij Zevenaar en voor de Panther-Stellingbouw langs de Rijn.

Zo ziet burgemeester Cremers ’s morgens op 5 oktober ‘een geweldige stoet over de hele lengte van de Veerweg van menschen die nu in Pannerden komen graven.’ Degenen die hij spreekt, blijken uit Apeldoorn afkomstig te zijn.

In Zevenaar en omgeving is al sinds begin september een groep werklieden uit Hannover bezig met stellingen bouwen. Naar verluid hebben deze mensen weinig op met het beleid van hun Führer. Maar wie wordt om een mening gevraagd in 1944? Niet de mannen uit Apeldoorn. En evenmin de mannen uit Ede, Wageningen, Oosterbeek, Velp, Arnhem, de Liemers en de Achterhoek, die daar begin oktober rondlopen. Ook de mannen uit Amersfoort, Rotterdam, Utrecht, Friesland, Den Haag en Groningen, die vanaf oktober naar de Liemers worden gebracht, zouden liever wat anders doen.

Granaatregens en drossen in de chaos

Het wekt geen verwondering dat veel mannen proberen te ontsnappen zodra een kans zich voordoet. Hun drang om te vertrekken wordt aangewakkerd zodra ze merken hoe gevaarlijk het graafwerk is, daar aan het front.

Wat hen in Zevenaar helpt, is de administratieve en organisatorische chaos bij de Duitsers. De wanorde komt al snel na aankomst van de eerste grote groepen arbeiders aan het licht. De NSDAP is verantwoordelijk voor de personeelsadministratie, regelingen als ziekteverlof en uitbetaling van lonen. Maar de afdeling in Zevenaar is duidelijk niet berekend op de plotselinge aanvoer van ongeveer 6.000 dwangarbeiders. Rond begin november nemen NSDAP-afdelingen uit noordwest Duitsland de administratieve taken over. Voor de loon- en personeelsadministratie wordt er een speciale ‘OT-Einheit No. 1’ opgericht. Veel spitters hebben dan al de benen genomen.

Vanwege de administratieve chaos moeten de arbeiders ruim een maand op hun loon wachten, terwijl hen wekelijkse uitbetaling was beloofd. Verder loopt de wisseling van ploegen slecht, waardoor mannen een langere periode moeten blijven dan hen vooraf was toegezegd. Bovendien valt hun onderkomen tegen en het eten is ook ver onder de maat. Zo schrijft mevrouw D. Coenders in Zevenaar dat haar broer op 12 oktober een Utrechtse postman naar huis meebrengt. Deze man werkt als dwangarbeider en wil zich eindelijk weleens kunnen wassen. Fatsoenlijke wasgelegenheid ontbreekt in zijn verblijfskamp. Ook schuift hij graag bij de familie aan, want ‘de hele week had hij nog geen warm eten gehad.’

En dan de werkomstandigheden. Twee dagen later, op 14 oktober, komen er bij het gezin enkele arbeiders uit Apeldoorn langs. ‘De ene was helemaal moedeloos. De hele dag zaten ze tussen de granaten en ze mogen maar niet naar huis.’ Die granaatregen maakt de mannen extra ongedurig en rusteloos. Honderden mannen uit Apeldoorn, inclusief de aldaar opgepakte evacués, komen onopgemerkt weg en keren veilig terug. Ze noemen ze dit ‘gaan drossen’.

Een van hen is de heer J. Zuman. Hij is de klos bij de razzia op 2 oktober en belandt in Zevenaar. Vervolgens moet hij tankvallen graven en prikkeldraadversperringen opwerpen aan de IJssel. Na 4 à 5 weken krijgt hij samen met andere arbeiders tijdens het werk een aanval te verduren met hevig granaatvuur. Voor Zuman is dat de laatste druppel. Hij vlucht en weet heelhuids naar Apeldoorn te ontkomen. Er zijn echter ook andere gedrosten bekend, die hun escapade niet kunnen navertellen.

Na de razzia zijn ruim 1.200 arbeiders uit Apeldoorn en omgeving overgebracht naar een verblijfskamp in Zevenaar. Maar een maand later is bijna de helft daarvan gedrost. Wanneer een aantal OT-medewerkers met hun arbeiders voor een klus tijdelijk naar Oosterbeek moet, blijkt uit tellingen dat slechts 300 spitters uit Apeldoorn zijn overgebleven.

Het vele drossen noopt de Duitsers in Zevenaar tot aanscherping van de bewaking, onder meer door leden van de Gestapo of ‘zwarte SS’. Desondanks ontbreken er steeds meer arbeiders op het ochtend-appél. Er zijn gewoon te weinig bewakers voor het grote aantal mannen. En met hulp van de plaatselijke bevolking kunnen veel dwangarbeiders ontsnappen, waaronder degenen die in Apeldoorn opgepakt zijn.

Duitse vergeldingsacties

Begin november 1944 raken de Duitsers in Zevenaar steeds meer gefrustreerd. Het SS-kommando en de OT-medewerkers hebben hun collega’s in Utrecht dringend om extra arbeiders gevraagd, maar zij sturen veel te weinig mannen. Terwijl in die stad op 7 november een razzia werd gehouden. Wanneer er eindelijk een schamele veertig Utrechtenaren arriveren, is driekwart daarvan de volgende ochtend al verdwenen. Die Schweine!

De SS en de OT, op hun beurt, worden van hogerhand opgejaagd door de partijleiding. Tenslotte moet de bouw van de verdedigingslinies bij Zevenaar, langs de IJssel en langs de Rijn in versneld tempo doorgaan. Al het gedoe en gedros verbittert de SS’ers. Dat maakt de situatie er niet beter of veiliger op voor de aanwezige dwangarbeiders.

Zo pendelt er al weken een grote vrachtwagen van het Rode Kruis met goederen tussen Utrecht (via Apeldoorn) en Zevenaar. Het is een oplegger met houten wanden en hoepels waaroverheen waterdichte doeken zijn gespannen. Zoals bij een huifkar. Voor de arbeiders brengt deze wagen vanuit het thuisfront schone kleding en allerlei andere benodigdheden mee. Op de terugtocht vervoert de wagen het vuile goed en niet nader omschreven retourbagage. Bovendien is dit het belangrijkste transportmiddel voor afgekeurde en zieke dwangarbeiders. Per rit kunnen er ongeveer 25 mensen mee naar huis.

Maar begin november laten de Duitsers de wagen niet meer over de IJssel gaan. Als vergelding. Daardoor zitten de arbeiders zonder verschoning of goede werkschoenen. Ook ontvangen ze geen post of kranten meer. Ze kunnen zich niet wassen en raken onderhand helemaal ‘verlaust’. Want luizen zijn in ieder verblijfskamp een grote plaag. Zolang niemand de rivier over kan, zitten de Apeldoorners in de Liemers vast. (Al weten sommigen via een bekende smokkelroute toch te ontsnappen met hulp van een veerman.)

Het is een hard gelag. En dan zijn ze ook nog overgeleverd aan de grillen van hun bewakers en opzichters. Uit pure frustratie vieren enkele Duitsers hun agressie bot op de dwangarbeiders. Zo wordt een van hen letterlijk een metersdiepe tankgracht in getrapt. Gewoon, omdat hij even uit stond te rusten van het zware graafwerk. De spitter moet met kneuzingen en verwondingen naar het ziekenhuis worden gebracht.

Op 2 oktober wacht de ontzielde lichamen van de gefusilleerden in Apeldoorn een ander lot. Niemand mag zich erover ontfermen. Ze moeten nog dagen op straat blijven liggen van de Duitsers; als waarschuwing.

Nog een razzia, 2 december 1944

Bevel van de Weermacht voor arbeidsinzet.

Vroeg in de ochtend van 2 december is het weer raak. Het geluid van mitrailleurs en geweren wekt de Apeldoornse bewoners. Op folders staat dat mannen zich met bepakking moeten melden. Duitse militairen doorzoeken huis na huis op achterblijvende werkweigeraars. En weer drommen circa 11.000 mannen urenlang samen op het Marktplein. Nu zijn het jongens en mannen in de verruimde leeftijdsgroep van 16 tot 55 of 57 jaar. Na keuring en selectie blijven er 4.500 over voor de Arbeitseinsatz.

Helaas voor de heer Zuman, is hij er weer bij. Blijkbaar zijn de Duitsers zijn voortijdige vertrek uit de Liemers nog niet vergeten, want ditmaal wacht hem een strafkamp in Duitsland.

Wat de leefomstandigheden van de dwangarbeiders in Zevenaar betreft; daarover volgt binnenkort meer.

(Bronnen: De arbeidsinzet – Sijes, Ons laatste halfjaar, Er op of er onder, dagboek burgemeester Cremers, herinneringen G.H. Maassen Sr., Zevenaar 50 jaar bevrijd (dagboek Dinie Coenders), brief J. Zuman.
Zie bronnen voor deze en meer geraadpleegde literatuur.)

(Bron foto bevel: BeeldbankWO2, NIOD foto nr 102845, Bevel Duitse Weermacht arbeidsinzet Apeldoorn.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.