Verblijfskampen van arbeiders in Zevenaar – deel I

In Leven in doorgangskamp Zevenaar kwamen ze al even ter sprake: de gebouwen waarin de Nederlandse dwangarbeiders van september 1944 tot mei 1945 verblijven. Het gebouwencomplex van de Turmac-sigarettenfabriek dient als het grootste onderkomen voor arbeiders in de stad. Daarnaast is de bovenste verdieping van het Juvenaat ingericht als verblijfskamp. Verder regelen tientallen mannen zelf onderdak bij particulieren.

Over de leefomstandigheden in deze gebouwen en bij mensen thuis valt meer te vertellen. Een ding is zeker. De dwangarbeiders voelen zich minstens even ontheemd als de evacués die een groot deel van het werkterrein hebben moeten verlaten. Gedurende hun verblijf in Zevenaar worden de meest elementaire levensbehoeften zeer belangrijk. Eten; warme kleding; een goede slaapplaats; veiligheid. En dan de vraag hoe je gezond blijft, als je zwaar werk moet verrichten en alles vervuild raakt, terwijl wasgelegenheid ontbreekt.

De Turmac-sigarettenfabriek

Turmac fabrieksgebouwencomplex, aquarel herbouw, 1949

Het massale gebouwencomplex van de Turmac-sigarettenfabriek staat vlakbij het station van Zevenaar. Evenals bij andere fabrieken, zijn de meeste machines en goederen afgevoerd naar Duitsland. Bovendien was er al een poos geen nieuwe aanvoer van grondstoffen meer. Hierdoor is er veel ruimte vrijgekomen in de magazijnen en de productiehallen. Ruimte die de Duitsers vanaf september 1944 goed kunnen gebruiken voor huisvesting van de Nederlandse dwangarbeiders. Volgens zeggen maakt de SS, in plaats van de NSDAP, de dienst uit in het kamp.

Een groot aantal in de fabriek verblijvende dwangarbeiders werkt in de buurt van Zevenaar. Zo zit er in oktober 1944 een groep mannen uit Aalten in de Turmac. Deze mannen verrichten het zware spitwerk voor tankgrachten en loopgraven in de omgeving. Tegelijkertijd overnachten er dwangarbeiders die voor de Panther-Stellung worden ingezet. Dagelijks vertrekken mannen uit Gendringen vanuit het fabriekspand naar bouwlocaties bij het Looveer en in Westervoort.

De productiehallen en de opslagruimten bovenin de hoofdgebouwen dienen als slaapgelegenheid. De vijf en zes verdiepingen tellende panden kunnen een paar duizend mannen huisvesten. (Voor de oorlog werkten er ruim duizend mensen in de fabriek.) Ook een schuur van circa ‘100 bij 60 meter’ op het terrein dient als verblijfsruimte voor de dwangarbeiders.

Na aankomst worden eerst hun persoonsbewijzen afgenomen. Vervolgens ontdekken de mannen hoe matig de Duitsers hun personeelsadministratie op orde hebben. De nieuwkomers staan uren te wachten voordat ze naar een slaapzaal kunnen. Ook worden ze van het kastje naar de muur gestuurd. En regelmatig ontstaat er geharrewar bij de verdeling van werkploegen over de verschillende bouwlocaties. Het komt voor dat de mannen op ochtend-appèl verschijnen en dat instructies uitblijven. Dan slenteren ze maar weer terug naar hun slaapzaal.

Slapen op stro

In de hallen is een dun laagje stro op de vloeren uitgespreid bij wijze van slaapgelegenheid. Veel mannen hebben geen beddengoed meegebracht en gebruiken hun overjas als deken. Het stro blijft wel tien tot twaalf weken liggen. Alles wordt nat en vuil. En al krioelt het stro van het ongedierte, de Duitsers zorgen zelden voor verversing. Luizen en vlooien zorgen voor enorm ongemak. Voortdurend hebben de mannen overal jeuk en menigeen krijgt een huidziekte.

Vodden aan het lijf

Daar komt bij dat de meeste opgepakte mannen extra kleding of schoenen ontberen. Als ze een hele dag in de regen en de bagger hebben gewerkt, moeten ze in hun natte hemd slapen. De verblijfsruimten zijn tochtig en onverwarmd. Voor zover mogelijk, hangen de arbeiders hun kleding binnen te drogen. Maar vaak moeten ze de volgende ochtend hun klamme goed weer aantrekken.

Van nette pakken en gepoetste schoenen blijft natuurlijk weinig. Binnen de kortste keren is alles kapot en versleten. Zo zien de dwangarbeiders uit Apeldoorn en Utrecht er al na enkele weken niet meer uit. De ‘oudgedienden’ dragen letterlijk vodden aan hun lijf. Sommigen hebben zelfs lappen om hun voeten gebonden bij gebrek aan sokken of werkschoenen.

Wasgelegenheid ontbreekt geheel in de Turmac-fabriek. Het laat zich raden hoe de slaapvertrekken ruiken. Hoe graag ze zich ook zouden willen wassen en scheren, de mogelijkheid ontbreekt. Handdoeken, zeep, toiletartikelen en scheergerei zijn een ongekende luxe. Geen wonder dat de mannen zo verwaarloosd raken. Daarom zoeken sommigen contact met de inwoners van de stad. Wie zij zich bij mensen thuis mag wassen, voelt zich direct een stuk beter.

Angst in de duisternis

Tijdens de bezetting moet ‘s avonds alles verduisterd zijn. De Turmac krijgt elektriciteit vanuit Wesel, maar de stroomvoorziening valt vaak uit. Voor de nieuwkomers is dat flink schrikken. ‘Nadat we binnengelaten waren, ging de deur weer dicht en stonden we in het pikdonker te kijken.’, schrijft J.W. Jansen uit Gendringen eind oktober 1944. ‘Bij een lucifervlammetje trachtte ieder al struikelend en vallend een ligplaats te vinden en eindelijk lagen we dan in een zeer bedrukte stemming naast elkaar.’

Het geluid van gierende granaten bezorgt de mannen een zeer unheimisch gevoel. In de schuur kunnen ze zich totaal niet oriënteren. Ze weten niet waar de uitgang is. En de bovenste verdiepingen van het hoofdgebouw zijn alleen bereikbaar via een trap aan de buitenkant. Wat als die wordt weggeschoten? Er zou direct een enorme paniek uitbreken.

Lucifers durven ze niet meer aan te steken vanwege het brandgevaarlijke stro op de vloer. Naar buiten gaan is sowieso geen optie, want daar lopen bewakers en om 20.00 uur is de spertijd ingegaan. Er rest hen weinig anders dan in het donker rondhangen op de harde vloer. Dus duren de koude nachten lang. Erg lang.

Het is onwaarschijnlijk dat er meubels, zoals kastjes, tafels en stoelen in de slaapruimtes staan. Meestal is dat in dergelijke verblijfskampen niet het geval. Een van de arbeiders in de Turmac-fabriek schrijft dat hij in zijn vrije tijd slechts op stro kan gaan liggen. In de ontruimde spergebieden scharrelen arbeiders doorgaans zelf spullen bij elkaar. Maar Zevenaar blijft tot aan de bevrijding toe bewoond. Wel zorgen liefdadigheidsorganisaties, zoals het Rode Kruis, ervoor dat de mannen enige benodigdheden krijgen.

Verschil van perspectief

Frappant is hoe verschillend de dwangarbeiders met hun nieuwe leefomstandigheden omgaan. Hierbij is het goed om te beseffen dat elke vastgelegde ervaring is ingekleurd door de persoonlijkheid van de betreffende man. En omstandigheden kunnen wijzigen.

Bij de pas gearriveerde groep uit Gendringen zit een stel jonge mannen te keten in een hoek van de schuur. Het is een vorm van branie, maar zij zien de onvrije arbeidsinzet evengoed als een spannend avontuur. Die eerste avond maken ze flauwe grappen en een hoop kabaal. Dit, terwijl de oudere en veelal getrouwde mannen aanmerkelijk stiller zijn. Zij maken zich zorgen over hun achtergebleven gezinnen. En ze vragen zich af wat henzelf in de komende weken nog te wachten staat.

Begin december 1944 komen er weer mannen uit Apeldoorn bij de sigarettenfabriek aan. Een van hen is de heer G. van Gurp. ‘De machines waren kapot. We zijn daar een dag en een nacht gebleven. We hebben shag gevonden en we kregen daar gelukkig ook te eten en te drinken.’ Een andere groep heeft minder geluk en krijgt niets. Zij moeten het doen met wat ze uit Apeldoorn hebben meegebracht.

Deze mannen overnachten in een warme en droge fabriekshal waar ze op de grond slapen. Tot hun genoegen vinden ze overal vloeipapier, shag, en zelfs doosjes met sigaretten of sigaren. Rookwaren zijn in die periode tamelijk schaars en op de bon. Een dag later vertrekken de mannen van veertig jaar of jonger lopend naar kamp Rees in Duitsland. De rest moet gaan graven in de buurt van Zevenaar.

Slapeloosheid

Over het algemeen komen veel dwangarbeiders door alle ongemakken en spanningen nauwelijks tot rust. Ze kampen met chronische slapeloosheid; raken oververmoeid. Daarbij komen de zware werkzaamheden, het voedselgebrek, de onhygiënische toestand en het verblijf in grote groepen dicht bijeen. Geen wonder dat menigeen ziek wordt.

Het complex van de Turmac-fabriek bevat een noodziekenhuis. In deze ruimte verzorgt hulpprediker Bartels eveneens korte kerkdiensten op zondagochtenden.

Uiteindelijk loopt het niet best af met de productiegebouwen. Op 8 februari en 23 maart 1945 voeren de geallieerden zware bombardementen op Zevenaar uit. Dan blijkt waar de Duitsers hun munitie voor de langeafstandsbatterijen en het luchtafweergeschut hebben opgeslagen. Een hele afdeling van de Turmac gaat met een daverende klap de lucht in en het hoofdgebouw wordt onherstelbaar verwoest. De angst van de in het duister vertoevende dwangarbeiders voor beschietingen was terecht.

De rooms-katholieke kostschool het Juvenaat

De bovenste verdieping van de katholieke kostschool het Juvenaat dient in Zevenaar als tweede verblijfskamp voor dwangarbeiders. Ook hier slapen de meeste mannen op een laagje uitgespreide stro of op strozakken. Op het dagelijkse menu staat slappe koolsoep uit een gaarkeuken in de melkfabriek aan de Molenstraat. Deze soep kan de honger niet stillen van mannen die energieverslindend graafwerk verrichten. Vanuit het Juvenaat werken veel dwangarbeiders aan loopgraven in de omgeving.

Voorkeursbehandeling gijzelaars

Opmerkelijk genoeg geven de Duitsers hun gijzelaars een soort voorkeursbehandeling. Gijzelaars zijn doorgaans vooraanstaande burgers, zoals een notaris, een controleur, een arts of een directeur. Zij dienen als pressiemiddel voor de arbeidsinzet en worden meestal in het Juvenaat ondergebracht. Zo verblijven er begin november 1944 gijzelaarsgroepen uit Doetinchem, Winterswijk, Aalten, Groenlo, Eibergen, Lichtenvoorde, Wisch en Zelhem.

Op 30 oktober wordt in Doetinchem een groep notabelen opgepakt en de volgende dag naar het Juvenaat overgebracht. Deze mannen krijgen echter geen armzalig slaapplaatsje op de harde grond. Nee, zij brengen de nacht door in een ruime zaal met stapelbedden en acceptabele wasgelegenheid. Bovendien krijgen ze goed te eten. Misschien is dat enigszins sardonisch als galgenmaal bedoeld, want hen hangt wel de dreiging van executie boven het hoofd. Verder maken de Duitsers het hun gijzelaars niet lastig.

In ruil voor het aangename verblijf, moeten de gijzelaars in Zevenaar wel werken. Elders is dat minder gebruikelijk. Alleen mannen van 60 jaar of ouder en zieken zijn hier vrijgesteld. De notabelen uit Doetinchem moeten prikkeldraadversperringen aanleggen. ‘Maar er werd vrijwel niets uitgevoerd en menigeen zocht zijn troost bij de boeren in de buurt van het arbeidsveld.’ Kennelijk werd er ook al niet erg scherp op hen gelet.

Op 12 november mogen de gijzelaars in het Juvenaat vertrekken. Dan blijkt opnieuw hoe bevoorrecht zij zijn, vermoedelijk vanwege hun maatschappelijke positie. Want in plaats van dat ze naar huis moeten lopen, rijdt er een wagen van de Turmac-fabriek voor. Daarmee reizen ze terug naar Doetinchem. Wel ja.

Predikanten op bezoek

Gelukkig ontvangen de gewone dwangarbeiders en de gevangenen in het Juvenaat geestelijke steun. Maandenlang verzorgt de Zevenaarse hulpprediker Bartels iedere avond een dagsluiting met Bijbellezing en gebed. En soms krijgen de dwangarbeiders bezoek van predikanten uit hun eigen woonplaats. Zoals uit Utrecht en Rotterdam. Deze predikanten overnachten dan gebroederlijk en in alle eenvoud op stro, eveneens in het Juvenaat.

Met de geallieerden in aantocht, ontruimen de Duitsers het Juvenaat op 30 maart 1945. Ze nemen de benen richting Babberich en vier dagen later bevrijden de Royal Winnipeg Rifles Zevenaar. De volgende maand is het feest in het Juvenaat. Weer lopen er dwangarbeiders rond in het gebouw. Maar nu zijn het uit Duitsland teruggekeerde mannen voor wie op vrijdag 4 mei een leuke avond wordt georganiseerd.

Hotels, cafés, een havezate of pendelen

Behalve in de Turmac en in het Juvenaat, verblijven er groepen dwangarbeiders op havezate / landgoed Enghuizen. Vooralsnog zijn daarvan weinig bijzonderheden bekend. Meer informatie is welkom. Verder overnachten Winterswijkse gravers in café Smit en in hotel De Pauw.

Ook pendelen er arbeiders vanuit hun woonplaats naar werklocaties in en rond Zevenaar. Zoals de mannen uit Bergh, die daar vanaf oktober 1944 moeten graven. Vanaf het moment dat de SS de organisatie van het OT-werk aan hun gemeente overdraagt, mogen zij dagelijks vanuit huis naar het werk toe gaan.

Alleen krijgt niet iedereen die optie. De heer G. Maassen uit Oosterbeek bijvoorbeeld, is tijdens een razzia in Apeldoorn opgepakt. Hij belandt in het najaar van 1944 met een groep mannen bij Lathum in een boerderij aan een dijk. Daar slapen ze in een koeienstal. Voordat hun werkdag begint, moeten ze het hele eind naar Zevenaar lopen. ’s Morgens elf kilometer heen en ’s avonds elf kilometer terug. Na hun werk aan een anti-tankval zijn ze aan het eind van de dag totaal afgepeigerd. Gelukkig is het eten in Lathum behoorlijk goed. Dat scheelt weer.

Bij particulieren in huis

Voor de Duitsers is het wel zo overzichtelijk om dwangarbeiders in kampen onder te brengen. Bij het verblijf in een groepsaccommodatie kunnen de mannen makkelijk worden aangestuurd en bewaakt. Toch staan ze in Zevenaar arbeiders toe om zelf een onderkomen te regelen.

Wellicht stellen de Duitsers zich hier soepel op, omdat ze de huisvesting en voedselvoorziening niet goed op orde krijgen. En zonder hun persoonsbewijs, dat bij aankomst wordt ingenomen, nemen arbeiders minder snel de benen.

Een andere mogelijkheid is, dat de groepen eenvoudigweg te groot zijn voor de beschikbare gebouwen. Zo schrijft Dinie Coenders op 3 oktober 1944: ‘Er zijn verschrikkelijk veel arbeiders, zelfs uit Winterswijk en Den Haag. Als ze ’s morgens vertrekken, zijn de straten stampvol. Ook Duitse arbeiders komen hier werken. Als ze niet willen werken worden ze doodgeschoten.’

Inkwartiering bij particulieren

Vanuit Utrecht komen er een week later nog eens 2.500 arbeiders bij. Met oorspronkelijk 10.000 inwoners, puilt Zevenaar dus behoorlijk uit. Onder meer in de Turmac-fabriek wordt de toestand onhoudbaar. Van een aantal mannen is bekend dat ze daarom zelf een onderkomen regelen bij boeren en burgers. Ook worden arbeiders door de Duitsers bij bewoners van Zevenaar ingekwartierd. Dit verklaart waarom hier dwangarbeiders (afkomstig uit verafgelegen plaatsen) bij particulieren verblijven.

Inkwartiering bij particulieren is vrij uitzonderlijk in plaatsen met centraal georganiseerde verblijfskampen. Wel komt dit in Pannerden voor. Totdat de inwoners uit het dorp moeten vertrekken en de arbeiders achterblijven.

Een aangenamer verblijf

Bij particulieren treffen de dwangarbeiders het meestal aanzienlijk beter dan in een kamp. Van de bewoners krijgen ze doorgaans goed voedsel. De huizen zijn warmer en de mannen slapen in een schoon bed. Desnoods zorgen de bewoners voor extra kleding of toiletartikelen. Vandaar dat meerdere dwangarbeiders uit Utrecht en andere plaatsen goede herinneringen bewaren aan hulpvaardige inwoners.

Voor de inwoners kan het eveneens gunstig uitpakken om vrijwillig dwangarbeiders in huis op te nemen. Hiermee voorkomen ze verplichte inkwartiering van Duitsers of van arbeiders met wie zij weinig affiniteit hebben.

Soort zoekt soort

Belastingontvanger Van Drunen is iemand die bij voorkeur ambtgenoten in huis haalt. Hij bewoont een pand aan de Rijksweg op de route naar Duitsland. Zijn voorkamer doet tijdelijk dienst als belasting- en douanekantoor. Daarom prijkt het Nederlandse wapen pontificaal boven de voordeur van zijn huis. (Dit ondanks het Duitse verbod op vertoon van Nederlandse symbolen.)

In die tijd trekken grote ploegen gravers langs de Rijksweg. Onder hen bevinden zich meerdere belastingambtenaren, die het wapen natuurlijk herkennen. Zij trekken de stoute schoenen aan en kloppen bij hun ambtgenoot aan. Mooi dat ze wekenlang bij hem en zijn gezin mogen vertoeven.

Zelf slapen de gezinsleden uit veiligheidsoverwegingen in de kelder. Daar brengen ze tijdens beschietingen ook overdag menig verveeld uurtje door. Gelukkig kan muziek wat verstrooiing brengen.

Don’t Fence Me In – Bing Crosby & The Andrews Sisters

Toch kan de belastingontvanger niet verhinderen dat er vier oudere OT-medewerkers worden ingekwartierd. Volgens mevrouw Van Drunen zijn dit ‘akelig dienstklopperige’ mannen. Wel brengen deze Duitsers soms wat vlees mee. Dat is beslist een voordeel, want verder is vlees alleen verkrijgbaar van gesneuvelde koeien en paarden. Dus mits voorradig.

De voedselsituatie

Bij de familie Coenders in de Molenstraat mag een Utrechtse dwangarbeider ook even bijtanken. Hij heeft de hele week nog geen warm eten gehad. Een logé moet op 15 oktober in Pannerden graven, anderhalf uur lopen van Zevenaar. Twee weken later krijgt hij een volgende klus in Aerdt. Op 30 oktober komen er weer mannen uit Utrecht aan de deur. Deze keer met de vraag of de familie wat brood over heeft.

Snel slinkende voorraad

In september is voedsel nog in overvloed verkrijgbaar bij boeren, tuinders en fruittelers. Veel bewoners van de Liemers houden zelf kippen, konijnen en een varken. Fruitbomen staan bij het huis. Aardappelen, groenten (en tabak) komen uit eigen moestuin. Maar onder meer geïmporteerde levensmiddelen, lucifers en waspoeder zijn op de bon. Naar mate de maanden verstrijken, kunnen de inwoners steeds minder uitdelen aan het groeiende leger voedselzoekers. In de herfst is er al geen houden meer aan. Vanuit het hele land trekken hongerige mensen naar de Liemers in de hoop dat daar nog wat te halen valt.

Suikerbieten voor een beetje zoetigheid

Met veel ingrediënten op de bon, voeren de gastvrije Zevenaarse families zo hun eigen strijd om het menu een beetje smakelijk te houden. Eind november 1944 zit de familie Coenders zonder suiker en de stroop is ook bijna op. Toch willen ze graag wat zoetigs door de pap kunnen roeren. Er zijn suikerbieten genoeg. Daar moet wat van te maken zijn. Maar hoe? In tijden van oorlog kom je ver met inventiviteit en daaraan heeft deze familie geen gebrek.

Beproefde methoden om suikerbieten klein te krijgen

  1. Suikerbieten klein snijden, koken en dan uitpersen. Levert weinig op.
  2. Suikerbieten door een vruchtenmolen draaien. Lukt niet.
  3. Suikerbieten door de wringer persen. Gaat wel, maar is veel werk.
  4. Suikerbieten tussen twee plankjes in de bankschroef van oom Dorus vastklemmen, dan uitpersen. Levert nog steeds weinig op.
  5. Suikerbieten raspen met een rasp van eigen fabricaat. Eindelijk resultaat:

‘Dinsdag 30 januari 1945. Het experiment van papa is gelukt. Hij heeft van de rasp een rol gemaakt met een vliegwiel van de wasmachine eraan. Aan de kant een schuin plankje, waar de biet voor moet. Het gaat heel goed. We hebben er meteen een zestig bieten doorgedraaid.’

Het zijn moedige pogingen om er met beperkte middelen nog wat van te maken. Desondanks krijgen ook de mensen in Zevenaar tijdens de laatste oorlogsmaanden te weinig gezonde bouwstoffen en calorieën binnen. En bij gebrek aan lucifers zoeken ze maar naar vuursteentjes in het grind.

Over de voedselvoorziening, hygiëne, gezondheidszorg en leefomstandigheden van de dwangarbeiders kunt u meer lezen in het eerstvolgende bericht.

(Literatuur. Bronnen: Zevenaar 50 jaar bevrijd, deel II, informatie Turmac en verhalen van W. de Kam en Dinie Coenders. Er op of er onder, verhaal over de gijzelaars en vertelling J.W. Jansen. Nationaal Comité, Rapport over de toestand van de tewerkgestelden in Zevenaar en omgeving. Verhaal G.A. van Gurp: dwangarbeidersapeldoorn.nl. Met de moed van de angst, verhaal Marie van Drunen over het huis aan de Rijksweg.
Zie bronnen voor deze en meer geraadpleegde literatuur.)

(Afbeelding. Bron afbeelding aquarel Turmac-fabriek, 1949: Collectie Liemers Museum Zevenaar.

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.