Verblijfskampen van arbeiders in Zevenaar – deel II

Vanaf september 1944 komen dwangarbeiders in Zevenaar aan. Voor deze Nederlandse mannen, die rond de stad aan Duitse verdedigingslinies moeten werken, is de dagelijkse realiteit in de verblijfskampen flink wennen. De meesten worden ondergebracht in de Turmac-fabriek en in het Juvenaat. Ver van huis en gezin moeten zij zwaar graafwerk verrichten en zich staande houden onder een Duits kampregime.

Dat betekent: in grote groepen vroeg opstaan, snel ontbijten, aantreden en bevelen opvolgen. Dan naar de bouwlocatie van de verdedigingslinies marcheren; de hele dag in weer en wind graafwerk verrichten; terug naar het kamp strompelen en het slappe avondeten naar binnen slobberen. Daarna rest hen nog wat tijd om op het vuile stro in de koude en duistere hallen en zalen rond te hangen totdat de meute gaat slapen. Ondanks dat veel mannen in grote gezinnen opgegroeid zijn, vinden ze het lastig dat ze geen greintje privacy hebben. Ze zijn geen moment alleen.

Afgezien van het slopende graafwerk aan diverse verdedigingslinies, valt ook het kampleven de dwangarbeiders zwaar. Voor alle belangrijke zaken, zoals: voedsel, kleding, warmte, hygiëne, medische zorg en contact met het thuisfront, zijn ze sterk van anderen afhankelijk. Een concreet voorbeeld: wie ziek is, krijgt van de Duitsers geen eten. De Nederlandse maatschappij kende voor de oorlog een tamelijk strikte hiërarchie, dus gewone arbeiders zijn wel wat gewend. Maar veel volwassen mannen moeten toch slikken wanneer ze door de bezettingsmacht als onmondig worden behandeld.

Gelukkig proberen familieleden, omwonenden en meerdere hulporganisaties de arbeiders te helpen waar dat kan. Zelf hebben de mannen ook enige invloed op hun takenpakket én op de kamerindeling. Wie tijdens een razzia is opgepakt, zorgt dat hij op een slaapzaal komt bij vrienden, verwanten, buren, geloofsgenoten, clubgenoten of collega’s. Dan kunnen ze elkaar tenminste nog steunen.

Alles wijst erop dat de Duitsers dit ook stimuleren, hoewel ze huiverig zijn voor vijandige samenzweringen. Het past binnen het beleid van de NSDAP om plaatsgenoten bij de Gemeinde-einsatz gezamenlijk klussen uit te laten voeren. Mogelijk is de achterliggende gedachte dat bekenden al goed op elkaar zijn ingespeeld. (Dat klopt inderdaad. Vooral wanneer ze graafwerk proberen te traineren.) Bovendien gaan er veel makke schapen in een hok. In het Duitsland van 2022 bestaat een hedendaagse vorm van Gemeinde-einsatz nog steeds.

Voedselvoorziening: wat de pot schaft

Over de kwaliteit van de voedselvoorziening verschillen de meningen. Gedurende de maanden september en oktober is er in de omgeving van Zevenaar voldoende eten verkrijgbaar. De fruitbomen hangen vol en diverse gewassen staan nog op het land. Alleen is het de vraag of die overvloed alle dwangarbeiders bereikt. Sommigen melden slappe koolsoep als kost.

Volgens een rapport over de toestand van de tewerkgestelden rondom Zevenaar is het eten en drinken aanvankelijk goed. Eind oktober voert het landelijk opererende Rode Kruis zelfs een fruitoverschot naar Amsterdam af. Tegen het eind van 1944 is de voedselvoorziening echter ‘armelijk, al is het beter dan wat men in het Westen heeft. […] Maar de SS zorgde reeds een week voor Kerstmis voor hazenbout met snaps (Kultur!).’ Hazenbout met schnaps! Als dwangarbeider kun je het slechter treffen.

Intussen zorgen plaatselijke burgercomités en kerkelijke organisaties voor warm drinken op de werklocaties. Maar het is ondoenlijk om duizenden arbeiders in de buitengebieden allemaal van koffie of thee te voorzien. Daarbij vormt de IJssel een logistieke hindernis voor aanvoer van geïmporteerde levensmiddelen, want in de loop van het najaar wordt de oversteek gesperrt.

Terwijl het eten voor gewone burgers op de bon is, regelt de OT in Didam de distributie van meel, vlees en andere levensmiddelen voor de arbeiders. Sjef van Swaaij, een bakkerszoon uit (of bij) Zevenaar moet daar regelmatig naartoe met een schriftelijke toewijzing voor meel. Het familiebedrijf bakt onder andere het brood voor de arbeiders in het Juvenaat. Dat levert hij op de transportfiets af bij het verblijfskamp.

In het Juvenaat zitten onder meer mannen uit Arnhem en omgeving die zonder geldig Ausweis zijn opgepakt. Zij moeten te voet naar Zevenaar. Van Swaaij ziet soms honderden uitgeputte mannen langs de winkel lopen. ‘Een keer werd zo’n colonne onze winkel binnengeleid. Ieder kreeg een stuk roggebrood en ging door de bakkerij weer naar buiten richting Juvenaat.’ Vermoedelijk heeft de OT de rekening netjes betaald.

Glas-in-loodramen in het trappenhuis van het Juvenaat

Persoonlijke verzorging en ontspanning

‘Unsere Jungen am Front krepieren auch in Drek!’ Aldus luidt het antwoord van een Duitser op de vraag of er een kachel in een onverwarmde verblijfsruimte kan worden geplaatst.

In Zevenaar proberen burgemeester Borst en verschillende hulpinstellingen de abominabele leefomstandigheden van de arbeiders te verbeteren. Op straat kan iedereen zien dat de mannen geen wasgelegenheid hebben. Hun kleren zijn smerig en ze stinken een uur in de wind. Bovendien ontgaat het niemand dat de dwangarbeiders verrekken van de jeuk. Dat komt er nu van als ze geen schoon stro krijgen om op te slapen. De dwangarbeiders zitten onder de luizen. De Duitsers willen echter van geen kwalen weten. Dat bestaat niet. Zij zorgen goed voor hun arbeiders.

Gelukkig weten Rode-Kruismedewerkers de SS in Zevenaar zover te krijgen dat ze enkele voorzieningen mogen treffen. Zo richten ze een ontsmettingslokaal in bij Café De Pauw. In de Van Munster-stichting wordt een kantine geopend, waar de mannen een warme maaltijd kunnen krijgen. Verder wordt het Patronaatsgebouw vanaf november 1944 verlicht en verwarmd. Hier kunnen de arbeiders een aangename en ontspannen avond doorbrengen met ‘gezonde volkslectuur’, spelletjes en dergelijke. Het moet een enorm verschil zijn met de harde vloer van de koude en donkere halen en zalen van de Turmac en in het Juvenaat, waar ze verblijven.

Speciaal voor de arbeiders komt er een extra ontluizingsinstallatie in het badhuis ‘van Jansen’. Daar kunnen ze ook lekker warm badderen. Hopelijk hebben ze tegelijk vers stro gekregen en wasmiddel voor hun kleding. Anders kunnen ze wel bezig blijven. Toch lijkt het erop dat de plaatselijke SS zich een beetje voor de situatie schaamt. Tenslotte is Zevenaar geen spergebied, dus kan iedereen zien in welke toestand de Nederlandse arbeiders verkeren. Maar wat mogelijk echt de doorslag geeft: SS’ers houden evenmin van luizen.

Begin december 1944 mag het Rode Kruis een gezellig Sinterklaasavondje organiseren voor de mannen. ‘Surprises werden rondgedeeld in de vorm van 5 scheermesjes en scheerzeep, een stuk toiletzeep en een stuk koek. Om de 5 pakjes werd een doosje lucifers of 5 sigaretten extra verstrekt. Dit werd door de spitters ten zeerste gewaardeerd, wat bleek uit een grote opbrengst van een collecte voor het Rode Kruis.’ (Canne.) En op kerstmiddag, dinsdag 25 december 1944, komt een vrouwenkoor in Huis Enghuisen achter de Turmac kerstliedjes zingen voor de daar aanwezige zieke arbeiders.

Onderlinge hulp en dienstverlening

Ook de arbeiders zelf zetten hun professionele vaardigheden in. De één kan kleding herstellen; de ander kan met rubber schoenen repareren. In oktober/november 1944 is er een populaire Arnhemse kapper in Zevenaar werkzaam. Hij verbleef als evacué in Apeldoorn toen daar een razzia werd gehouden. Veel gravers kennen hem. Nu biedt hij zijn diensten aan in een geïmproviseerde kapsalon. Zijn collega-dwangarbeiders laten zich graag door hem knippen en scheren. Dat moet overdag gebeuren, want het wordt vroeg donker en er is geen verlichting in zijn salon.

Sommige mannen vragen netjes aan de Bauleiter of Inspektor verlof om naar deze kapper te gaan. Maar de meesten knijpen er onder werktijd stiekem tussenuit en dan weten de Duitse begeleiders nergens van. Het is zo druk in de salon, dat er vaak wel tien mannen zitten te wachten. En dan maar kletsen, natuurlijk. De Duitsers houden daar niet van, want spijbelen is één ding, maar er kan evengoed een samenzwering ontstaan. Dus moet de orde worden gehandhaafd. Wahlen vertelt hoe dat in praktijk gaat.

‘Op zekere middag werd daar bij een overvol salon een formele inval gedaan door SS- en SA-mannen. De wachtende OT-ers werden onder veel misbaar, en alsof het schurftige honden waren, den winkel uitgeranseld, de straat op.’

Het voorval getuigt van de bewuste ontmenselijking van niet-Arische arbeiders als psychologische strategie om het vijanddenken onder SS’ers te versterken.

Ook op andere manieren helpen dwangarbeiders elkaar. Hoe belangrijk dit kan zijn, blijkt uit het relaas van G. van Gurp. Net 16 jaar oud, wordt hij op 2 december 1944, een mooie winterdag, opgepakt tijdens de razzia in Apeldoorn. Geheel onvoorbereid gaat hij op transport.

‘In Zevenaar kreeg ik van een andere dwangarbeider een wollen deken. Ik was daar heel erg blij mee. Ik droeg nog steeds dezelfde kleren als toen ik in Apeldoorn was opgepakt, dus een regenjas, een blouse, klompen en een korte broek.’

Mogelijk redt die wollen deken zijn leven, want Van Gurp belandt in het Duitse strafkamp Rees, waar de omstandigheden bar slecht zijn.

Ontluizingsinstallaties, warme baden, schnaps en hazenboutjes met kerstmis. Luxer dan dit krijgen de langs de Rijn gravende Nederlandse dwangarbeiders het nergens. Toch kunnen deze extraatjes hun erbarmelijke situatie nauwelijks verzachten. Daarom blijven ze ontsnappingspogingen doen, wat de SS weer verbitterd. En veel andere ‘zwakkere’ gravers worden ziek. Met deze mannen schiet het SS-Kommando in Zevenaar al even weinig op.

Transportdienst van het Rode Kruis

De wagen waarmee het Rode Kruis het fruitoverschot naar Amsterdam brengt, wordt in het najaar van 1944 ook voor andere doeleinden gebruikt. Het Rode Kruis verzorgt in oktober een min of meer regelmatige pakketdienst voor de arbeiders en hun in het westen achtergebleven families. De betrokkenen weten dat ze post en pakketten mee kunnen geven. Vanuit Utrecht en omgeving rijdt een ‘Transvaalsche boerenhuifkar’ via Apeldoorn naar Zevenaar heen en weer. Op de heenweg brengt de volgeladen wagen schone kleding en benodigdheden voor de mannen mee. En op de terugweg gaat het vuile goed retour.

Zowel in het oosten als in het westen kijken verwanten reikhalzend naar berichten uit. Veel mensen maken dan ook van deze dienst gebruik. Alleen weten sommigen na noodgedwongen verhuizingen niet meer waar hun verwanten zijn. En vanaf november mag er geen wagen meer over de IJssel. Tot die tijd kan dit vrachtvoertuig per rit eveneens 25 zieke en afgekeurde arbeiders naar het westen terugbrengen.

Kerkdiensten voor de gravers

Gelovige gravers hechten sterk aan het bijwonen van zondagse kerkdiensten. Al was het maar omdat dit de enige momenten zijn waarop ze zich weer een beetje mens voelen. Op zondagen (en de rest van de week) moeten ze echter werken, dus missen ze de reguliere samenkomsten. Daarom zoekt de kerkenraad in Zevenaar naar een passend tijdstip voor de arbeiders. De diensten mogen niet te vroeg beginnen, want dan zijn de mannen nog onderweg. Beginnen ze te laat, dan moet iedereen in het aardedonker naar huis terug. Ook is er ’s avonds veel artillerievuur.

Na rijp beraad komt er voor de katholieken een vroege zondagkerkdienst. Voor de protestanten beginnen de bijeenkomsten om 18.00 uur in Groessen en Zevenaar. Nog is het onzeker of de mannen aanwezig kunnen zijn. Ze zijn namelijk afhankelijk van de goede wil van hun Hundertschaftführer (OT-ploegleider over honderd mannen). Als deze zich schappelijk opstelt, mogen ze bijtijds stoppen met werk.

Hoezeer de troostende woorden van de Zevenaarse hulpprediker Ds. Bartels Junior de mannen goed doen, beschrijft W. de Kam op zondagavond 29 oktober 1944.

‘Het was de eerste onderbreking van ons werk, waarin we werden opgeheven tot hoger niveau. We ademden een andere sfeer; we voelden ons opgetild als uit de diepte. Wie enig kerkelijk besef heeft, zal dit verstaan. […] De dienst droeg het kenmerk van de tijd; elk woord van vertroosting en bemoediging dat naar ons uitging, werd door ons opgevangen en ingedronken. Diepe indruk maakte op ons de psalm die Bartels ons op de lippen legde: De heer zal u steeds gadeslaan, Psalm 121:4. Idem Matth. 8:23 t/m 27 en Psalm 84:2. Versterkt hebben we het bedehuis verlaten.’

De diensten vormen duidelijk zeldzame positieve momenten in het verder grauwe gravers bestaan. De predikanten moedigen onderlinge solidariteit aan en de geloofsgenoten beloven elkaar te steunen. Op 6 november zijn weer twee kerkdiensten voor de tewerkgestelden in Zevenaar, geleid door Ds. Veenhuizen uit Aalten en door Ds. Bartels Junior.

Op een gegeven moment moeten de samenkomsten op meerdere locaties helaas toch worden gestaakt. Daarna houdt een ouderling nog contact met de gravers in Zevenaar. Verder staat een van de paters Kapucijnen in de Pelgromstichting de mannen bij met praktische hulp. Bovendien krijgen de dwangarbeiders af en toe bezoek van vertrouwde predikanten uit hun eigen woonplaats die naar de Liemers toekomen.

Gezondheid en medische zorg

Zwaar, uitputtend werk, matig voedsel, onhygiënische toestanden, natte kleding, spanningen en slapeloosheid. Het is geen wonder dat de dwangarbeiders in Zevenaar vroeg of laat ziek worden. Medio oktober 1944 komen maag- en darmklachten (tyfus, diarree en dysenterie), huidaandoeningen (schurft), luis, reumatische klachten en longontstekingen al veelvuldig voor. Diezelfde maand worden alle mannen in de Turmac ingeënt tegen cholera en dysenterie. De Duitsers zijn huiverig voor uitbraken van besmettelijke ziekten.

Dankzij de ontluizingsinstallaties en de warme baden in het badhuis krijgen de mannen het iets beter. En hier zien we hoeveel baat de mannen kunnen hebben bij vakkundige lotgenoten. Begin oktober is een jonge arts tijdens de razzia in Utrecht opgepakt: de heer J. Bijlsma. Hij verblijft regelmatig op een boerderij op het Engeveld. Tot aan de bevrijding kunnen zieke en gewonde dwangarbeiders bij hem voor consulten en behandelingen terecht.

Desondanks verslechtert de conditie en gezondheid van bijna alle arbeiders geleidelijk. Hierbij geldt, dat hoe langer ze moeten blijven, hoe veelvuldiger en heviger hun klachten en aandoeningen worden.

En een verblijf in het frontgebied is nu eenmaal vol gevaar. Regelmatig treffen rondvliegende kogels en granaatscherven dwangarbeiders tijdens het graafwerk. Meerdere personen in de omgeving komen hierbij te overlijden. Tientallen anderen raken gewond of invalide. Op 26 september 1944 bestoken de geallieerden het stationsgebied nabij de Turmac-fabriek met tientallen raketten en op 21 oktober volgt een luchtbombardement op het spoor. Beide aanvallen veroorzaken veel ravage. Wie daar op het verkeerde moment aanwezig was, heeft waarschijnlijk ook verwondingen opgelopen.

Daarnaast staan de dwangarbeiders bloot aan incidentele geweldsuitbarstingen van de Duitsers. Zoals de eerder genoemde man, die verwondingen en zware kneuzingen opliep toen hij bij een tankgracht even pauze nam en door een gefrustreerde opzichter meters diep de gracht in werd getrapt.

In de verblijfskampen zijn medische voorzieningen basaal, maar ernstig zieken en gewonden worden wel naar het ziekenhuis van Zevenaar gebracht. Het Turmac-fabriekscomplex bevat een noodziekenhuis, waar hulpprediker Bartels ook enige tijd korte kerkdiensten op zondagochtenden verzorgt.

Aquarel Turmac gebouwencomplex na wederopbouw, linksonder in 1939.

Loze beloften en wisseling van werkploegen

De verplichte arbeidsinzet kent een wisselsysteem waarbij groepen mannen na een werkperiode van een week tot vier weken worden vervangen door anderen. Doorgaans laten de Duitsers dit principe los bij mannen die zij tijdens razzia’s oppakken. Maar ook degenen die zich na oproepen op tijd hebben aangemeld, ontdekken dat ze langer moeten blijven.

Zo staat een groot aantal Friese mannen in Leeuwarden nogal een teleurstelling te wachten. Daar roept NSB-burgemeester Schönhard mannen van 17-50 jaar op voor werk in het noorden. Hun inzet zal veertien dagen duren. De termijn verstrijkt en de mannen denken dat ze spoedig naar huis mogen terugkeren. Maar niets is minder waar. Rond 20 oktober 1944 worden zij op transport gezet naar de verdedigingswerken in Doetinchem en Zevenaar. Op 23 oktober trekt er een ellenlange stoet van 2.000 mannen uit Leeuwarden door Doesburg heen.

Ook W. de Kam heeft op aflossing gehoopt. Hij is een van de Utrechtenaren die begin oktober te horen krijgen dat zij twee weken in Zevenaar moeten blijven. Daarna zullen zij door Amsterdammers worden afgelost. Zodra hij op 20 oktober een flinke groep Aaltenaren ziet binnenkomen, doet hij navraag bij de heren Koch en Diekman. Dit zijn twee vriendelijke Duitse OT-werkleiders. Deze heren kunnen echter slechts een standaardantwoord geven: ‘Er moet aflossing komen.’ Het tekent de gangbare onmacht van gewone en welwillende OT-medewerkers. Tenslotte zijn zij, net zoals de dwangarbeiders, voortdurend afhankelijk van de beslissingen en daadkracht van hogerhand.

Bovendien: hoe meer mannen er tussenuit knijpen, hoe langer de rest moet blijven. Ondanks alle risico’s zien genoeg mannen daartoe een kans. Zo is een lichting van ruim 1.200 mannen uit Apeldoorn in Zevenaar na een maand al tot de helft gekrompen.

Verplaatsing van arbeiders

Een van de vragen waar het lopende onderzoek voor Graven in de vuurlinie nog geen antwoord op heeft, is welk beleid de Duitsers precies voeren rond de verplaatsing van bepaalde groepen. Soms worden mannen ver van huis ingezet, terwijl mannen van elders in de woonplaatsen van de vertrekkers moeten werken. Ook schuiven de planners van de NSDAP regelmatig groepen dwangarbeiders heen en weer. Dat is in Zevenaar merkbaar.

De heer J. Daarnhouwer, een Bussumse dwangarbeider in het Arnhemse Diaconessenziekenhuis, en zijn kamergenoten krijgen er ’s avonds op 17 november plotseling twee Rotterdammers bij. ‘Een groep van honderd was voorlopig bij ons ondergebracht en ruim tweeduizend waren doorgezonden naar Pannerden, Zevenaar en andere plaatsen.’ Tot zover is dat logisch.

Maar eind december 1944 trekt een hele stoet juist weer in westelijke richting terug. Dan moeten OT-medewerkers met een aantal dwangarbeiders vanuit Zevenaar naar Oosterbeek en daar aan de slag.

In januari 1945 moet een grote groep dwangarbeiders wederom op stel en sprong verkassen. Nu loopt er vanuit de landbouwhogeschool in Wageningen een stoet van ‘wel 3.000 of 4.000 man uit de hele omgeving’ naar de Liemers, dus weer richting het oosten. Na hun gedwongen verblijf in het ontvolkte spergebied, is Zevenaar de eerste bewoonde plaats op hun pad waar ze gewone Nederlanders tegenkomen. Helaas moeten ze ’s nachts doorlopen. Via Didam en Zeddam gaat de tocht verder naar Winterswijk in de Achterhoek bij de Duitse grens. Daar wacht hen een nieuwe klus: tankvallen maken. Tegelijkertijd ronselt het SS-Kommando nog steeds mannen uit de Achterhoek voor het graafwerk rond Zevenaar.

Begin februari 1945 verneemt Daarnhouwer dat alle Bussummers Arnhem hebben verlaten. Deze mannen zijn eveneens naar het oosten gebracht. Zij belanden in Emmerich, in Zevenaar en in andere plaatsen achter de IJssel. Nog is de volksverhuizing niet voorbij. Want eind maart 1945 keren mannen, die op 26 december 1944 vanuit Zevenaar naar Oosterbeek waren getransporteerd, weer naar Zevenaar terug.

Dat laatste transport loopt voor drie personen slecht af. Juist wanneer ze een Duitse geschutsopstelling langs de Amsterdamseweg passeren, wordt het geschut door de geallieerden gebombardeerd. Twee dwangarbeiders en een Duitser komen daarbij om het leven.

De afwisseling van de mannen laat dus ook wat langer op zich wachten, omdat honderden arbeiders uitvallen door ziekte, verwondingen en aanhoudend krijgsgeweld.

In het eerstvolgende bericht kunt u lezen welke verdedigingsmiddelen de mannen voor de Duitsers moeten aanleggen.

PS. Alle artikelen bevatten een weergave van vondsten tot nu toe. Zodra het lopende onderzoek nieuwe wetenswaardigheden oplevert, worden die aan de teksten toegevoegd. Aanvullende informatie is altijd welkom.

(Literatuur. Bronnen: Nationaal Comité rapport over de toestand van de tewerkgestelden in Zevenaar en omgeving. Bron verhaal bakkerszoon: Old Senders Ni-js, 2015-2, artikel De laatste maanden van de bezetting, Henk Giezen, Een bakkerszoon vertelt. Bronnen voorzieningen Rode Kruis Zevenaar: Er op of er onder, Ons laatste halfjaar, en scriptie Canne. Bron zangkoor: Zevenaar 50 jaar, dagboek Dinie Coenders. Bron anekdote over de kapper: Ons laatste halfjaar. Bron G.A. van Gurp: Stichting Dwangarbeiders Apeldoorn 1940 – 1945. Bron kerkdiensten en aflossing mannen in Zevenaar: Zevenaar 50 jaar, dagboek W. de Kam. Bron arts uit Utrecht op het Engeveld: Wat de oorlog bracht over Zevenaar. Bron geallieerde aanvallen stationsgebied: Definitief rapport Vooronderzoek Zevenaar BAT-terrein, 2011. Bron arbeiders Leeuwarden: scriptie Canne. Bron J. Daarnhouwer: NIOD, Collectie 249-0059 Dossier – Arnhem, inv nr A8. Bron drie doden Amsterdamseweg: Er op of er onder. Bron vertrek mannen vanuit Wageningen: Eef Cleffken in Blik omhoog, deel 3. Zie Bronnen voor meer geraadpleegde archiefstukken en literatuur.)

(Afbeeldingen. Bron afbeelding raam Juvenaat: Karin van Veen, 2022.)
(Bron aquarel Turmac-fabriekscomplex 1949: Collectie Liemers Museum Zevenaar.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.