Bouwinstructies van de Wehrmacht – deel I

Loopgraven met schuttersputten bij Westervoort, Pannerden, Groessen, Loo en Zevenaar. Antitankgrachten en versperringen van prikkeldraad. Deze verdedigingswerken moeten Nederlandse dwangarbeiders vanaf september 1944 aanleggen langs de Rijn. Ze werken aan een Duitse verdedigingslinie, waarvan de bouw in de Liemers begint. Zelf zien ze er het nut niet zo van in.

Maar laten we eens kijken naar de bouwvoorschriften voor de verschillende onderdelen van de Panther-Stellung. De opzet en inrichting van deze linie is gebaseerd op een militaire verdedigingsstrategie.

(Tekst loopt door onder afbeeldingen.)

Instructie loopgravenstelsel met schuttersputten Wehrmacht WW II

De Nederlandse mannen werken voornamelijk aan veldversterkingen, zoals kilometers lange verbindingsloopgraven en anti-tankvallen. Wie zelf diep in de grond heeft gegraven, weet hoe zwaar hun werk is. Daarnaast graven ze soms standplaatsen uit voor luchtafweergeschut en andere artillerie. Verder maken ze prikkeldraadversperringen en werpen ze met boomstammen barricades op.

Op sommige locaties moeten ze permanente of ständige verdedigings-werken bouwen, zoals houten bunkers en schuilonderkomens. Betonnen bunkers en mijnenvelden laten de Duitsers over aan eigen militaire experts. (Daarover meer in een toekomstig bericht.) Binnen de opzet van de linie vormen de afzonderlijke onderdelen een samenhangend en elkaar ondersteunend geheel.

Een leger heeft baat bij uniformering en standaardprocedures, zodat militairen overal en onder alle omstandigheden weten wat zij moeten doen. Voor het aanleggen van verschillende stellingonderdelen werkt de Wehrmacht met standaardhandleidingen. Soms vertellen dwangarbeiders concreet welke instructies zij krijgen. Hiermee geven ze inzicht in hun werkzaamheden en kunnen we een vergelijking maken met de bouwvoorschriften.

Voor geïnteresseerden volgt hier een beschrijving van veelvoorkomende versterkingen waaraan de dwangarbeiders werken.

Loopgraven met schuttersputten, observatieposten en onderkomens

Loopgraven komen voor als doorlopende uitgegraven gevechtsopstelling (schuttersloopgraaf) of als verbindingsgang.

Verbindingsloopgraven dienen om bewegingen tussen verschillende schuttersposities te verhullen. Bijvoorbeeld om ongezien voorraden munitie te vervoeren en op te slaan. Bij grond- en luchtgevechten in open terrein bieden ze bescherming. Loopgraven volgen bij voorkeur de contouren van een gebied: dijken, bosranden, huizenrijen, bomenlanen, een spoortalud. Ze worden aangelegd als losse stukken en als langgerekte linies over grote lengtes.

Verbindingsloopgraaf in verwoest Arnhem, 1944-1945

De zigzagvorm van de gangen voorkomt dat vijanden met ‘enfilading’ veel militairen in een rechte lijn kunnen raken. Ook beperkt deze opzet het aantal gewonden wanneer ze door inslaande granaten en rondvliegende scherven worden getroffen.

In schuttersloopgraven zitten de schietopeningen vlak boven de grond. Deze schietgaten of ‘Schießscharten’ worden klein gehouden. Hierdoor zijn ze voor de vijand nauwelijks zichtbaar en kunnen ze minder makkelijk worden geraakt. Deze gaten worden gebouwd met stukken hout of planken en zandzakken.

De wanden van loopgraven in zandgrond krijgen ter versteviging een bekleding van dunne boomstammetjes met planken of gevlochten takken, verbonden met ijzerdraad. In geëvacueerde steden en dorpen worden onder meer parketvloeren, ledikanten, luiken, kastplanken en vooral deuren uit woningen gehaald. Ook dienen planken, deuren, tafelbladen en dergelijke als vloer in schuttersputten en loopgraven. Militairen houden graag droge voeten. Overkappingen van loopgraven in de regio van de Panther-Stellung bestaan uit hout, gecamoufleerd met takken en plaggen.

‘Beobachtungstellen’ zijn observatieposten. Deze worden los in het veld, langs wegen en in verbinding met loopgraven aangelegd.

Camouflage

Camouflage van posities is belangrijk. Gewoonlijk worden secties van loopgraven in open terrein afgedekt met takken of ander materiaal. Als er genoeg tijd is, worden verdedigingsposities diep gegraven en laag gehouden, zodat ze nauwelijks opvallen en een moeilijk doelwit vormen. In de Liemers is het terrein met landbouwgrond en weilanden erg open. Daar worden soms plaggen gebruikt ter camouflage van loopgraven en geschutsopstellingen. Grote wapens en tanks worden met takken afgedekt en het liefst onder bomen neergezet.

Alle open gevechtsposities, zoals loopgraven, schuttersputten en kuilen voor machinegeweren, mortieren, infanterie kanonnen of anti-tank-kanonnen, worden zo klein mogelijk gehouden. Een bescheiden, maar voldoende ruime positie vergt minder bouwtijd en camouflagemateriaal.

Een gedeeltelijke overkapping biedt bescherming tegen zware artillerie. Hiervoor kunnen twee of drie lagen boomstammetjes worden gebruikt. Het geheel wordt afgedekt met waterafstotend materiaal. Een vijf centimeter dikke laag klei werkt redelijk goed. Kluiten aarde, plaggen en turfblokken worden als bakstenen op de schuine zijden gestapeld.

Doorgaans halen militairen natuurlijke bouwmaterialen onder bomen en struiken weg. Dit om te voorkomen dat piloten vanuit de lucht zien dat de grond is beroerd. Want ook dat verraadt de locatie van het verdedigingswerk. Het kost tijd en moeite om uitgegraven aarde onopvallend weg te werken en de omgeving er natuurlijk uit te laten zien.

Duitse politiemannen en SS-pantserinfanteristen richten bij Arnhem een stelling met schuttersputten in, september 1944

Bij de Panther-Stellung zijn de verbindingsloopgraven in open terrein zelden gecamoufleerd. Op geallieerde luchtfoto’s springen de kilometerslange zigzag lijnen juist in het oog. Daarop zijn eveneens vertakkingen zichtbaar naar schuttersputten in vijandelijke richting.

Waar de verdedigingslinie langs bebouwing komt, maken Duitse bouwkundigen volop gebruik van beschermings- en camouflage-mogelijkheden. Beschadigde gebouwen en verspreid liggend puin bieden schuilplaatsen voor schutters. En schade is er in Arnhem en omgeving genoeg.

Ook de kelders van huizen langs de Arnhemse Rijnkade en de Oosterbeekse Benedendorpsweg worden opgenomen in het loopgravenstelsel. De huizen functioneren hier als poterne of ondergrondse bomvrije gang door een vesting als verbinding met een (geheime) toegang of uitvalspoort. Gebouwen in de buurt van de Rijn kunnen dienen als munitieopslagplaatsen en schuilonderkomens.

Tijdens de bouw van de Duitse verdedigingswerken zitten de geallieerden in de Betuwe, direct aan de overzijde van de Rijn. Langs de uiterwaarden, waar geen bossen of bomenlanen zijn, zetten de Duitsers rieten schermen neer. Zo ontnemen ze de geallieerden het zicht op het graafwerk en het militaire verkeer.

Bouwinstructies loopgraven

Duitse legerhandleidingen schrijven voor dat loopgraven 60 tot 80 cm breed zijn aan de bovenkant en 40 cm breed aan de onderkant. Idealiter zijn ze 1,60 meter diep en lopen de wanden schuin uiteen. Om de 10 à 15 meter zit er een knik in de zigzagvorm.

In praktijk worden loopgraven ook wel smaller en met rechte wanden gegraven, mits de grond stevig genoeg is. Bovengrondse borstweringen worden aangebracht als de grond inzakt of als een hoge grondwaterstand diep graven onmogelijk maakt.

‘Verbindungsgraben’ of verbindingsloopgraven en ‘Annäherungsgraben’ of benaderingsloopgraven zijn 1,8 tot 2 meter diep en 40 cm breed aan de onderzijde. Deze loopgraven krijgen ook treden of opstapjes voor schutters. Aangrenzende loopgraven ter bescherming tegen tanks worden aanbevolen op elke 40 à 50 meter.
‘Kampfgraben’ of gevechtsloopgraven zijn vergelijkbaar met verbindingsloopgraven. Deze krijgen ‘Schützennischen’ of beschermende nissen en munitie-nissen in de wanden.
‘Kriechgraben’ of kruiploopgraven zijn evenals standaard loopgraven aan de bovenzijde 60 tot 80 cm breed, maar aan de onderzijde 60 cm diep en 60 cm breed.

Tweepersoons schuttersputten voor militairen met gewone geweren of machinegeweren zijn meestal 2 tot 3 meter naar de voorzijde van de gevechtsloopgraaf aangelegd en verbonden met ‘Stichgraben’ of greppels. De schuttersputten worden bij de punten van de loopgraaf aangelegd en langs de rechte delen. Meer soorten schuttersputten volgen hierna.

‘Unterschlupfe’ of ingegraven/ondergrondse schuilkelders beschermen maximaal zes mannen. Deze schuilonderkomens bevinden zich aan de voorzijde van de loopgraaf.

Bouwinstructies schuttersputten, -nesten en dekkingsgaten

De standaard schutterspositie of ‘Schützenloch’ is een tweepersoons greppelvormige put, vergelijkbaar met een ‘foxhole’. Deze wordt ‘Wolfgrabhügel’ genoemd. Eventueel graven militairen bij gevechtssituaties eenpersoons schuttersputjes uit.
Langs alle belangrijke wegen in de regio moeten de dwangarbeiders om de zoveel meter schuttersputten maken. Passerende burgers gebruiken dergelijke gaten trouwens ook als schuilplaats bij plotselinge beschietingen.

Sterker, de Wehrmacht geeft burgemeesters zelfs opdracht om bewoners van huizen met een voortuin ronde dekkingsgaten te laten graven langs openbare wegen. De voorgeschreven afmetingen op een bevel in Soest zijn: ‘diep 1.20 meter, middellijn boven 0.80 meter en middellijn aan den bodem 0.60 meter. De onderlinge afstanden dezer dekkingsgaten moeten zijn 5 à 6 meter, zulks in overeenstemming met de tuinen der buren.’ Fijntjes doet de burgemeester een beroep op het gemeenschapsgevoel van de bevolking om elkaar te helpen bij de uitvoering van deze maatregel.

Een eenpersoons schuttersput is een eenvoudig gat van 70 cm breed en 60 cm diep. Hierin kan een man knielen. Aarde wordt aan de voorkant opgeworpen, zodat er minder diep hoeft te worden gegraven. Volgens instructies moet de overtollige grond onopvallend worden weggewerkt. Als een borstwering ontbreekt, steunt het geweer of ander geschut op een hoopje aarde of op een Y-vormige standaard die in de grond wordt gedrukt. Naar wens wordt de schuttersput dieper gemaakt, zodat de schutter rechtop kan staan.

Na afloop van Operatie Market Garden liggen op 1 oktober 1944 bij Wolfheze overal Engelse en Duitse uitrustingsstukken verspreid. ‘In sommige eenmansgaten bevonden zich nog kleine metalen laddertjes, drie treden hoog.’

Militairen opereren bij voorkeur vanuit een tweepersoons schuttersput. Twee mannen kunnen elkaar morele steun bieden en elkaar op rustige momenten afwisselen, terwijl de ander het terrein in de gaten houdt. Als een eenpersoons positie wegvalt, valt er eveneens direct een groot gat in de verdedigingslinie.

Een ‘Schützenloch für 2 Gewehrschützen’ ofwel tweepersoons schuttersput is een korte rechte loopgraaf van 80 cm diep en 1,8 meter lang. Een enigszins gekromde loopgraaf wordt in 1944 de norm. Dus ook bij de Panther-Stellung. Deze versie krijgt twee treden waarop schutters bij de uiteinden van de gang hun posities innemen. Het middendeel is dieper. Bij granaatbeschietingen kan de schutter zittend op de treden schuilen met zijn benen in het centrale deel. De gebogen vorm van de langwerpige schuttersput beschermt de militairen ook wanneer tanks over de put heen rijden.

Een tweepersoons ‘Schützenloch für leichtes Maschinengewehr‘ of schuttersput voor licht machinegeweer (MG) is een licht gebogen loopgraaf van 1,40 m tot 1,6 meter lang. Daarachter komen twee haaks gegraven korte loopgraven voor bescherming tegen tanks. Aan de voorkant komt een 20 cm diep U-vormig platform voor de tweepootsteun van het geweer. Deze tweepersoons schuttersputten of – nesten bevinden zich overal binnen de linie waar ze een gunstige positie hebben over het te bestrijken gebied. Alternatieve schuttersputten worden op 50 meter afstand van de hoofdpositie aangelegd. Vaak ook dichterbij.

Bij opstellingen voor machinegeweren bedient de schutter het machinegeweer. Een assistent is verantwoordelijk voor het (her)laden. Verder is er een munitiedrager. Duitse militairen krijgen training in een beperkt aantal taken en kunnen niet zomaar de functie van anderen overnemen.

Bij elk type wapen hoort een standaarduitrusting. De militairen hebben een munitiekist met diverse reserveonderdelen voor het machinegeweer. Voor het onderhoud zijn er poetsdoeken en oliekannetjes. Aangezien de loop van automatische snelvuurwapens tijdens het vuren erg heet wordt, krijgt het team een reserve wisselloop. De uitrusting bevat eveneens speciale hittebestendige handschoenen om brandwonden te voorkomen bij vervanging van de loop.

Een ‘Schützenloch für leichten Granatwerfer’ (schuttersput voor 5 cm granaatwerper) is vergelijkbaar met de tweepersoons schuttersput voor militairen met geweren. Deze eenvoudige greppelloopgraaf heeft een verhoging van 70 cm bij 1 meter bij 70 cm aan de voorzijde voor het mortier.

Een ‘Panzerdeckungsloch’ of een tegen tanks beschermende schuilloopgraaf bevat eveneens geweerposities. Deze schuilloopgraaf wordt volgens hetzelfde ontwerp als voor een lichte granaatwerper gebouwd en heeft de vorm van een U, een V of een W. De treden voor de schutterspositie zijn 1,4 meter diep en het centrale deel ligt 1,8 tot 2 meter diep.

Voor al deze schuttersposities is de voorgeschreven standaardbreedte 60 tot 80 cm aan de bovenzijde en 40 cm aan de onderzijde. De aanbevolen onderlinge afstand tussen de schuttersputten is tien meter. In praktijk varieert dit afhankelijk van het terrein, de vegetatie en dergelijke.

Schuttersputten voor antitankgeschut en infanteriegeweren worden vanaf 1943 ovaal- of kringvormig aangelegd. Voor 3,7 cm antitankgeschut zijn ze 40 cm diep; voor 5 cm en 7,5 cm anti-tankgeweren iets dieper. Anti-tankgeweren worden in tweepersoons schuttersputten geplaatst.

Duitse infanteristen bij Arnhem in schuttersput en met graszoden gecamoufleerde kruiploopgraaf, september 1944

Voor gebruik van de ‘Panzerfaust’, een veelgebruikt draagbaar kanon, is geen speciale schuttersput vereist. Dit antitankwapen kan worden afgevuurd vanuit elke open positie en wordt gewoonlijk onder de arm gehouden. Ook kunnen militairen de Panzerfaust vanaf de schouder of vanuit een ingegraven positie afvuren. Wel moet bij een ingegraven positie de achterzijde vrij zijn vanwege de lange gasstraal die uit de achterkant van het wapen komt.

Voor de 88 mm ‘Panzerschreck’, een draagbare raketwerper, wordt een twee meter lange V-vormige loopgeul zonder borstwering gegraven. De uiteinden van de V zijn van de vijand afgekeerd en de schutter staat rechtop in de lengte van de V. Zo kan hij het beste een naderende tank raken. Een assistent moet het wapen laden (en voor de terugslag dekking zoeken in de andere arm van de V).

Het driepersoons ‘Schützenloch für schweres Maschinengewehr’ is vergelijkbaar met het schuttersnest voor lichte machinegeweren, maar met verlengde loopgraven aan de uiteinden van de U. Het geweerplatform is 20 cm diep, waarbij de drie poten van de geweersteun worden ingegraven.

Op basis van de verschillende vormen van de schuttersnesten kunnen overvliegende geallieerden afleiden om welk wapens het gaat. De gegevens die verkenningsvluchten opleveren, worden ingetekend op militaire stafkaarten.

Grondgebonden standaarden voor zwaar geschut

Afgezien van schuttersposities voor bovengenoemde wapens, bevat de Panther-Stellung grondgebonden standplaatsen of voetstukken voor zwaar geschut. In september 1944 ontvangt de Wehrmacht voor de linie een levering van vijf batterijen van 88 mm Panzerabwehrkanone.

Voor standaarden van zwaar geschut en voor kleine bunkers langs de Panther-Stellung gebruikt men voorgevormde metalen profielen en prefab betonnen platen. Deze kunnen compact worden aangevoerd en snel worden neergezet. Mogelijk bevat de linie voetstukken waarop de draaibare kanontorens van tanks (Kwk 43/3 Jagdpanther 8.8 cm kanonnen en 88 mm Kwk 43 King-Tiger kanonnen) kunnen worden geplaatst.

Voor zover bekend, zijn Nederlandse dwangarbeiders slechts incidenteel betrokken bij de bouw van grondgebonden standaarden en kleine betonnen bunkers voor de verdedigingslinie. Het gaat hier te ver om alle soorten te benoemen.

Anti-tankgrachten en -vallen

Een belangrijke zorg bij elke verdedigingslinie is hoe goed deze de opmars van vijandige tanks tegenhoudt. Voor een leger dat zelf dringend om geavanceerde tanks verlegen zit, is het frustrerend om energie te moeten steken in relatief eenvoudige barricades. Maar de Führer wenst anti-tankgrachten of -vallen, dus voert de Wehrmacht zijn opdrachten knarsetandend uit.

‘In het westen’ graaft de burgerbevolking aan een tankgracht, september 1944

Duizenden Nederlandse dwangarbeiders zwoegen op dergelijke grootschalige versperringen. En zij niet alleen. Op 1 september 1944 moet ook het Duitse ‘Volksaufgebot’ in het grensgebied beginnen aan de verlenging van stellingen. Binnen vier dagen worden ten oosten van Nijmegen ‘langs de hele grens van Aken tot aan Emmerik scholieren, vrouwen en meisjes en de nog aanwezige mannen opgeroepen’. Zij moeten de dreiging van de naderende geallieerde tanks ‘bezweren met het graven van tientallen kilometers grachten, die breed en diep genoeg moesten zijn om elke poging deze tankvallen te overschrijden bij voorbaat tot mislukking te doemen.’

Op bouwtekeningen lopen anti-tankgrachtlijnen van Emmerik via Elten door naar Doetinchem. Een tweede lijn gaat van Millingen via Zevenaar eveneens naar die stad toe. De meeste tankgrachten in de regio van de Panther-Stellung worden aangelegd bij Zevenaar. Twee andere tankvallen liggen vlak langs de Rijn in Arnhem bij Onderlangs en in de polder het Broek tussen Arnhem en Westervoort.

In de Liemers zijn deze bouwplannen slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Op 4 december 1944 herroept Hitler zijn opdracht. Hij beseft dan dat het concept van de ‘Panzergraben’ of tankgrachten achterhaald is. De geallieerden bezitten inmiddels verbeterde tanks met aan de bovenzijde uitklapbare bruggen of ‘bridge layers’. Met deze verlengstukken kunnen zij een negen meter lange stalen brug over Duitse anti-tankgrachten leggen. En ze daarmee makkelijk overbruggen.

Toch is Hitlers opdracht kennelijk niet tot de OT in Arnhem doorgedrongen. Daar gaat het werk aan de anti-tankval bij Onderlangs nog zeker tot in januari 1945 door. ‘Dinsdag 26 december: Half 8 opstellen. Toen naar het werk (tankval). De eerste laag, 1 meter diep, kwam bijna klaar vandaag en zijn begonnen aan de tweede laag, midden 2 meter breed.’ (Boekensteijn.)

Over tankgrachten in de omgeving van Zevenaar speelt een informant details door aan de geallieerden. Hij is in oktober 1944 zelf spitter en beschrijft de vorm en afmetingen als volgt: ‘diepte 10’; breedte aan de top 15’; breedte op de bodem 2’.’ De gebruikte tekens staan voor de Engelse lengte-eenheid voet. Een voet meet sinds 1958 officieel 0,3048 meter. De gracht is dus ongeveer 3 meter diep, aan de bovenkant 4,5 meter breed en zou dan 60 cm aan de onderzijde breed zijn. De uitgegraven aarde wordt keurig verspreid om de gracht minder op te laten vallen.

Ook over het Gelders Eiland loopt een kilometers lange tankval. Deze begint bij de steenfabrieken op de Kiefwaard en gaat via de Aerdtsestraat en de Aerdtse dijk naar de Oude Rijn. Over het water gaat de hoekige tankgracht verder via Babberich richting Beek. Deze gracht heeft een steile met palen beklede kant van circa 2 meter diep, een bodem van 1,5 meter breed en een schuine kant onder een hoek van 45 graden. Ook hier wordt de uitgegraven aarde netjes weggewerkt. Wat ter camouflage helpt, is dat er in veel tankvallen een laag grondwater staat. Het zijn net gewone poldersloten. Een tankgracht bij Herwen, tot slot, is ongeveer vier meter breed en twee meter diep. Kortom, de afmetingen en vormen variëren.

Tankwallen en andere barricades

Tot het arsenaal anti-tankbarrières behoren eveneens tankwallen, aspergeversperringen en betonnen drakentanden.

Tankwallen bestaan uit twee rijen boomstammen met daartussen een wal van zand, aarde en puin. De boomstammen worden tot twee meter diep in de grond geplaatst en steken daar circa drie meter bovenuit. Dwangarbeiders bouwen dergelijke boomstam-barricades onder meer in Arnhem bij het Openluchtmuseum en in de wijk Lombok. Zie voor afbeeldingen de pagina Opzet en inrichting versterking.

Voor zover bekend, zijn drakentanden en aspergeversperringen tegen pantservoertuigen niet aangelegd als onderdeel van de Panther-Stellung. Ze komen wel voor in de Duitse Westwall en langs de kust in de Atlantikwall.
Aspergeversperringen bestaan uit rijen naar voren gerichte puntige stalen balken die in de grond vastzitten in een betonnen profiel. In Nederland worden spoorrails gebruikt om snel wegversperring op te werpen. Eenmaal vast, kunnen ze praktisch niet meer worden verwijderd. Althans, dat is begin mei 1940 het idee. De Duitsers ruimen de aspergeversperringen bij Babberich echter vlot met snijbranders uit de weg.

Wanneer de geallieerden in maart 1945 naderen, richten Duitse militairen Doetinchem in als egelstelling. Alle open zijden worden extra versterkt. Bij de stadspoorten komen rails waarop oude tramwagens vol beton worden gezet. Daarmee kunnen ze de stad binnen enkele minuten volledig afsluiten. In Arnhem dienen tramwagons eveneens als barricademateriaal.

Andere tegen pantservoertuigen gerichte versperringen bestaan uit mijnenvelden, inundaties, opgeblazen straten en onbruikbaar gemaakte bruggen. In het laatste oorlogsjaar leggen de Duitsers nog grote mijnenvelden aan langs de Rijn, om zich tegen de opmars van geallieerde tanks te verweren. Een veel toegepaste antitankmijn is de Tellermine 29. Als voorbeeld van de wapenwedloop ontwikkelen de geallieerden op hun beurt weer mijnen ruimende tanks. Die maken verborgen landmijnen onschadelijk met walsen, vlegels of stampers.

Alle barrières en geïmproviseerde barricades samen kunnen de geallieerde opmars niet tegenhouden; hooguit vertragen. Maar het grootste venijn schuilt in de mijnen die de Duitsers kort voor hun vertrek achterlaten. Ze ondermijnen niet alleen bruggen, wegen en barricades; ook in woonhuizen wachten geniepig verborgen explosieven op de komst van nieuwe bezoekers. Die zijn niet voor tanks bestemd, maar specifiek op mensen afgestemd.

Het hele bouwproject getuigt van een wanhoopsdaad. De gigantische hoeveelheid werk die de dwangarbeiders moeten verzetten voor de verdediging van de Heimat staat in geen verhouding tot de tijd die het Duitse leger ermee rekt.

(Literatuur. Voornaamste bron van bouwtechnische beschrijvingen: Hitlers Fortresses. Bron beschrijving diverse schuttersputten: Oorlog in Lingezegen. Bron metalen trapjes met drie treden: Zes dorpen in oorlog en verzet. Bron bevel dekkingsgaten Soest affiche: foto 103028 NIOD. Bron tankgrachten ten oosten van Nijmegen en geavanceerde tanks: PDF-document Heeresgruppe H. Bron afmeting tankgrachten bij Zevenaar: artikel Tankgrachten in Zevenaar. Bron afmeting tankval Arnhem: dagboek Boekensteijn. Bron afmeting tankvallen o.a. bij Herwen en Aerdt: Oorlog over het Gelders eiland. Zie bronnen voor de geraadpleegde dagboeken en literatuur.)

(Afbeeldingen. Tekening bouwinstructie loopgravenstelsel uit een Wehrmacht-handleiding, WW II, overgenomen van Festung.net.
Foto verbindingsloopgraaf in Arnhem: Gelders Archief 1535-540, Verwoesting in Arnhem, fotograaf Johann Raaijen, tussen september 1944 en mei 1945, CC-BY-4.0 licentie.
Foto Duitse politie en SS-pantserinfanteristen richten een stelling in: Gelders Archief 1560-5496, fotograaf Pospesch, in of bij Arnhem, september 1944, Public Domain Mark 1.0 licentie.
Foto drie Duitse militairen in schuttersput en loopgraaf met machinegeweer op houten standaard: Gelders Archief 1560-5491, bij Arnhem, september 1944, fotograaf Zimmermann, Public Domain Mark 1.0 licentie.
Foto groepsgraafwerk aan een tankgracht: Bundesarchiv, Bild 101I-590-2332-26 / Appe [Arppe] / CC-BY-SA 3.0, Im Westen Ausheben eines Grabens durch Zivilbevölkerung; PK Fs AOK, september 1944, Propagandakompanien der Wehrmacht – Heer und Luftwaffe (Bild 101 I).

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.