Na Utrechtse razzia 7 okt 1944 in de Liemers en Arnhem

(Wat vooraf gaat. Tijdens de bezettingsjaren werken honderdduizenden Nederlanders verplicht in Duitsland. Op 6 september 1944 start de aanleg van de Panther-Stellung in Gelderland. Kort daarna wordt de Rijn frontgebied. De geallieerden zitten direct ten zuiden van deze rivier. In het nauw gedreven, hebben de Duitsers duizenden arbeiders nodig voor de overhaaste aanleg van hun verdedigingslinies. Dus volgen er razzia’s.)

Op zaterdag 7 oktober 1944 is Utrecht aan de beurt. Vijf dagen na de razzia in Apeldoorn volgt er een razzia in de Domstad. Overal hangen aanplakbiljetten waarmee de bezetter mannen in de leeftijdsgroep van 17-50 jaar oproept. Zij moeten zich om 9 uur op het Vredenburg melden voor graafwerk. Het plein ziet zwart van de mensen. Veel mannen denken dat ze een vrijstelling kunnen krijgen op basis van hun beroep of lichamelijke gesteldheid. Bij de controle op papieren, zoals Ausweise en doktersbewijzen, worden ze echter snel uit hun droom geholpen. En dan is er geen weg meer terug.

De Duitsers hebben alle toegangswegen tot de stad afgezet en doorzoeken stelselmatig alle huizen. Zij weten dat er altijd wel onderduikers zijn, die zich op de gekste plekken verborgen kunnen houden.

Utrechtse onderduikers op strandstoelen in de kruipruimte van een woning

Bij Razzia’s in 1944 leest u hoe dergelijke razzia’s worden uitgevoerd. Ook mannelijke kerkgangers en werknemers in kantoren of fabrieken kunnen zich niet veilig wanen. Op een zaterdagmiddag staat de Grüne Polizei in Utrecht buiten de bedrijfspoorten te wachten tot de arbeiders naar buiten komen. De ongelukkigen worden opgepakt, in gereedstaande wagens afgevoerd en urenlang vastgehouden. Familie waarschuwen mag niet en eten of drinken krijgen ze evenmin. (Dit gebeurt op 7 oktober tijdens de grootschalige razzia, of eind oktober 1944.)

De razzia op zaterdag 7 oktober in Utrecht levert de Duitsers circa 5.500 arbeidskrachten op. Ongeveer 2.500 daarvan vertrekken naar Zevenaar en omgeving om anti-tankgrachten aan te leggen. Die dag vinden in Kampen en in Amersfoort eveneens massale razzia’s plaats, waarbij ook duizenden mannen worden opgepakt.

Overnachting in Kamp Amersfoort

De heer W. de Kam, redacteur van ‘Het Stadsblad’ uit Utrecht is één van de mannen die in colonne naar het Vredenburg moet. Het centraal gelegen plein fungeert als verzamelplaats in de stad. Na controle van papieren vertrekt hij ’s middags te voet naar de Bilt. Vervolgens moeten de mannen in een lange stoet verder lopen richting Zeist tot ze in kamp Amersfoort aankomen. Daar brengen ze de nacht door. ‘Ieder zocht enig contact met bekenden of vrienden en deelden zich zo in.’ De stapelbedden in de barak zijn drie hoog.

Het Vredenburg in Utrecht. Links een Duitse veldkeuken, rechts een WA muziekkorps.

Tegen de ochtend openen de deuren van zijn barak en komen er nog meer Utrechtenaren bij. Deze mannen zijn pas rond middernacht uit de stad vertrokken. Misschien hoorden zij bij de werknemers die op zaterdagmiddag werden opgepakt. Want die groep vertrok, nog altijd zonder eten of drinken, om 12 uur ’s nachts uit Utrecht en kwam ’s zondagsmorgens om 5 uur aan in het kamp. Daar valt het dagmenu tegen. De pot schaft enkel wat slappe soep en een snee brood.

Meerdere routes leiden naar Zevenaar

Op zondag 8 oktober gaat de reis van de Utrechtenaren verder. Een grote menigte moet eerst urenlang wachten op station Amersfoort. Hun trein is kennelijk beschoten, want de coupés liggen bezaaid met glasscherven van gesneuvelde ruiten. Ze gaan een koude nacht tegemoet en de wind waait dwars door de open rijtuigen. Waarschijnlijk passeren ze Apeldoorn. Het is al maandag 9 oktober wanneer ze bij Zutphen komen. Kort daarna kunnen ze in Brummen eindelijk uitstappen en hun stramme benen strekken.

Ze rammelen van de honger, maar van hun bewakers krijgen ze onderweg niets. Pas wanneer ze door Dieren lopen, kan de plaatselijke bevolking hen wat eten en drinken toestoppen. In Doesburg vindt afwisseling van de begeleiders plaats. ‘De Rijksduitsers waren niet onwelwillend, maar nu trad de Duitse SS op.’

Volgens diverse bronnen leidden er meerdere routes naar Zevenaar (en verder). Het Utrechts archief vermeldt dat een groep op transport werd gesteld naar Havelte en dat een andere groep lopend naar Zevenaar vertrekt voor het graafwerk aldaar. Wahlen schrijft dat de werknemers die op een zaterdagmiddag werden opgewacht, vanaf Kamp Amersfoort per trein via Apeldoorn naar Zevenaar gaan. En Julia Wolfensberger schrijft in een brief (collectie Utrechts archief) dat een gedeelte te voet naar Huizen vertrekt en daar op de boot naar Kampen stapt, terwijl een andere groep naar Apeldoorn gaat. (Met Apeldoorn zal zij een richting en geen eindbestemming hebben bedoeld.) In elk geval komt een paar duizend Utrechtenaren in de Liemers aan.

Voor de Duitsers is het transport van duizenden gravers een enorme logistieke operatie. Naast belemmeringen als: te weinig mankracht, gebrek aan materieel en geallieerde aanvallen, hebben ze last van verzetslieden die het vervoer per trein ontregelen. In het najaar van 1944 blokkeert een ontspoorde locomotief de lijn Utrecht – Arnhem. Deze spoorlijn wordt in september en oktober 1944 tot drie maal toe opgeblazen. Verder schort het aan een evenwichtige verdeling van aantallen dwangarbeiders over de verschillende werklocaties in het land. Dan worden er plotseling veel te veel ‘geleverd’ en moet een deel weer naar andere locaties worden doorgestuurd.

Enkele groepen dwangarbeiders reizen via ogenschijnlijk onlogische routes naar hun verblijfs- en werklocaties. Sommige Utrechtse mannen op de boot naar Kampen zijn direct of mogelijk enige tijd later naar Zevenaar en omgeving gebracht. Een vergelijkbare route via Kampen is ook van Rotterdammers bekend. Zij moeten in november 1944 eerst bij Zwolle aan de IJssellinie werken. Daarna gaan ze in januari 1945 bij Wageningen voor de Panther-Stellung aan de slag.

Aankomst in Zevenaar en omgeving

Redacteur W. de Kam, die het hele eind vanaf Brummen heeft moeten lopen, is doodmoe wanneer hij Zevenaar bereikt. ‘Het was alsof er geen eind aan de tocht kwam. In Zevenaar deelt de bevolking hier en daar appels, sigaretten en soms broodjes uit.’ Op 9 oktober komt hij ’s avonds om half zeven op zijn voorlopige bestemming aan: het hoofdgebouw van de Turmac-fabriek.

De opgepakte Utrechtenaren vormen een bont allegaartje. Er zitten bakkers en melkboeren tussen, evenals ambtenaren, kantoormedewerkers, postbodes, fabrieksarbeiders, slagers, onderwijzers en een enkele intellectueel. Maar wat opmerkelijk is: alleen de ‘goed gesitueerden’ ontbreken vrijwel geheel.

Vijf kilometer verderop, verwelkomen inwoners van het naburige Didam ook 800 mannen, die hoofdzakelijk uit Utrecht komen. ‘De mannen hadden gedeeltelijk per trein gereisd. Het laatste stuk van Doesburg naar Didam werd onder strenge bewaking te voet afgelegd. Ze kwamen om ongeveer middernacht in Didam aan.’

In Didam vernam men pas op 8 oktober van de Duitsers dat deze grote groep dwangarbeiders in aantocht was. Het betekende voor het dorp een complete invasie. In allerijl moest de gemeente voor onderdak en vers stro zorgen. Maar dat lukte. Sterker: ‘Ook … het verstrekte brood met boter en kaas was welkom.’, noteert een Didammer naderhand tevreden. Het is meer dan wat de Duitsers op dat moment aan hun gedwongen arbeiders kunnen bieden.

Verblijfsplaatsen Utrechtenaren

Voor zover bekend, werken de in Didam en Zevenaar ondergebrachte Utrechtse mannen hoofdzakelijk aan Duitse tankgrachten in het gebied rondom Zevenaar. Sommige mannen in Zevenaar maken ook uitstapjes naar bouwlocaties van de Panther-Stellung.

Van degenen die bij de Panther-Stellung worden ingezet, wordt het merendeel naar andere plaatsen overgebracht. Zo arriveert kort na de razzia op 7 oktober 1944 een groep dwangarbeiders uit Utrecht in Groessen, niet ver van Zevenaar. Hier overnachten ze in schoolgebouwen en cafézalen.

Daarnaast verblijven er groepen Utrechtenaren langs de Veluwezoom in Arnhem nabij de Velperweg en in bejaardenhuis Mooiland aan de rand van Doorwerth. Het is aannemelijk dat Utrechtse mannen over nog andere plaatsen met verblijfskampen langs de Rijn zijn verdeeld. (Informatie is welkom.)

Ontsnappingen uit de Liemers

Als de arbeiders contacten onderhouden met plaatselijke bewoners, vooral met mensen op strategisch handige posities, kunnen ze gebruik maken van hun connecties met illegale netwerken. In Didam spannen een waarnemend gemeentesecretaris en een arts samen. Zij regelen nagemaakte vrijstellingsbewijzen voor dwangarbeiders. Hierbij is ook iemand uit Utrecht betrokken, die vervolgens een wijdvertakt netwerk opzet.

Redacteur De Kam ziet zijn kans om de benen te nemen wanneer hij binnendienst heeft in het Juvenaat. Waarschijnlijk krijgt daarbij hij hulp van een Utrechtse dominee, zijn reguliere wijkpredikant. Deze dominee is in de Liemers op bezoek bij het weggevoerde deel van zijn geloofsgemeenschap.

De redacteur is de enige niet. Eind oktober circuleert het gerucht dat de dichter Jan Engelman zich onder de Utrechtse gravers in Zevenaar bevindt. ‘Niemand weet er iets van.’, schrijft Wahlen. Toch klopt dit verhaal. De dichter schrijft twintig jaar later zelf in een brief hierover het volgende:

‘Wel weet ik, dat ik eenige malen ben gewaarschuwd door een vroegere schoolvriend, Kareltje Schwertz, die bij de politie van de Domstad inspecteur was. Dan ging ik een paar dagen elders logeeren, te Amsterdam of te Deurne, en kwam weer veilig terug op het nest. Ik ben er in het najaar van 1944 ’n keer ‘bij’ geweest, maar dat kwam door mijn eigen nonchalance en door een razzia op ‘spitters’ voor tankgrachten te Zevenaar. Ik vertikte het te spitten, wist mij te dekken, liep weg en was na twee vermoeiende weken wandelend terug, nu wat voorzichtiger.’

Zijn relaas maakt duidelijk hoe bevoorrechte mensen uit handen van de Duitsers blijven. Dankzij hun goede connecties zijn zij beter geïnformeerd dan de massa; ze kunnen zich een betaalde remplaçant veroorloven, en/of ze komen dankzij de juiste papieren onder dwangarbeid uit. Overigens weten ook genoeg gewone mensen weg te komen. Eind november knijpt een hele ploeg Utrechtenaren in de Liemers ertussenuit. De Duitsers worden op allerlei manieren misleid. Aan valse Ausweise geen gebrek, want die worden in Zevenaar gedrukt.

Aflossing door andere dwangarbeiders

Wanneer de Utrechtenaren langs de Rijn aan de slag gaan, verwachten ze dat ze spoedig weer thuis zullen zijn. Iemand heeft gerept over ’maximaal 10 dagen werk’. Een groep in Zevenaar heeft vernomen dat ze 14 dagen ergens ‘achter Arnhem’ voor de OT moeten werken. Een andere groep in Arnhem denkt na vier weken klaar te zijn. In Groessen zit echter een groep Utrechtenaren die tien weken moet blijven. Dit is wel inclusief strafweken. Op 17 december 1944, een week voor kerst, mogen zij eindelijk vertrekken.

Tot in november komen er nog kleine groepen dwangarbeiders uit Utrecht in Zevenaar en in Arnhem aan. Daaronder bevinden zich veertig ‘gestraften’, die zieke Utrechtenaren in Zevenaar moeten aflossen. Wanneer mannen slecht werken of drossen (weglopen) en weer opgepakt worden, krijgen ze extra werkweken. Toch houden de Duitsers een groep Utrechtenaren in Arnhem minimaal vijf weken vast, hoewel zij hun werk naar behoren doen.

Zoals overal langs de verdedigingslinie, hebben de mannen uit Utrecht pech dat het roulatiesysteem nauwelijks werkt. In Zevenaar zou aflossing komen door Amsterdammers, maar dit gebeurt niet. In Arnhem vestigen de Utrechtenaren hun hoop op Rotterdammers. Die verschijnen inderdaad; in grote aantallen zelfs. Toch mogen van de Utrechtenaren uitsluitend de afgekeurde en afgeloste mannen weg. Deze afgeloste mannen hebben zelf voor remplaçanten gezorgd. Het maakt de Duitsers weinig uit welke spitter het graafwerk verricht, zolang er maar genoeg arbeidskrachten zijn.

Opgeluchte Utrechtse spitters op terugweg naar huis, 1944

De heer Daarnhouwer, een dwangarbeider uit Bussum, ziet in Arnhem de zorgen van de Utrechtenaren met medeleven aan. Beloften en toezeggingen van de Duitsers veranderen voortdurend, eenvoudigweg omdat de toezeggingen van hun meerderen evenmin veel waard zijn. Ook NSB’ers uit het Gooi zitten langer in Arnhem vast dan zij hadden gehoopt. Blijkbaar hebben deze nationaalsocialisten wel last van heimwee. Maar de Duitsers in Arnhem ‘hebben gezegd dat juist zij een voorbeeld moeten stellen.’, dus moeten de NSB’ers nog wat langer blijven.

Bouwlocaties

Op dinsdag 10 oktober 1944 begint de eerste werkdag van de Utrechtenaren in de Turmac fabriek al vroeg. Om 07:00 uur moet een ploeg aantreden op het Zevenaarse marktplein. Daarna gaan ze naar een schoolplein waar schoppen worden uitgereikt. Vervolgens moeten ze in colonne op pad. Alleen lijkt niemand goed te weten waarheen. De verkeersborden duiden richting Groessen aan, maar na een half uur houden ze bij een bietenveld iets ten zuiden van Zevenaar halt. Vermoedelijk zijn ze dan in Ooij, waar blijkt ze van de Duitsers bieten moeten rooien. Van deze groep mannen is bekend dat ze eerst ten westen van Zevenaar werken, later in Pannerden en de laatste twee weken in Aerdt.

Honderden andere Utrechtenaren met standplaats Zevenaar werken in oktober en begin november 1944 in de omgeving aan tankgrachten. Er komen tankgrachten ten oosten van het Juvenaat (even buiten Zevenaar) en bij het dorpje Aerdt. Ook bij Loo en bij het Berghoofdse Veer in de buurt van Pannerden legt Organisation Todt met inzet van dwangarbeiders tankvallen, loopgraven en prikkeldraad versperringen aan. Hier werken eveneens mannen uit Utrecht. Doorgaans spitten ze in gezelschap van dwangarbeiders uit diverse andere plaatsen.

Buiten het gebied van de Panther-Stellung graven Utrechtenaren in de Liemers onder meer langs de IJssel in Angerlo en Giesbeek. Dit geeft aan dat de Duitsers dwangarbeiders uit dezelfde stad regionaal verdelen over meerdere bouwprojecten.

Hundertschaften

Het Duitse systeem kent een indeling van manschappen in zogenoemde Hundertschaften. Dit zou teruggaan op een oud Germaans gebruik en de Utrechtenaren krijgen hiermee te maken. In de verblijfskampen is één dwangarbeider per kamer of slaapzaal het aanspreekpunt en de leider voor zijn kamergenoten. Een voorman staat aan het hoofd van een wat grotere groep. Meestal is dit de oudste of meest ervaren man.

Meerdere groepen samen staan onder leiding van een Hundertschafts-führer. Deze hoofdman heeft dus de leiding over ongeveer honderd mannen. Hij is belast met de werkverdeling, al komt het regelmatig voor dat stadsgenoten, vrienden en collega’s elkaar opzoeken en samen een ploegje vormen. Zo kunnen ze elkaar moed inspreken. De Hundertschaftsführer op zijn beurt, heeft weinig omkijken naar mannen die goed samenwerken. Tenzij ze langzaamaanacties houden, uiteraard.

Voor de Duitsers is dit systeem met leiders in diverse rangen vooral praktisch. De voormannen en leiders ontvangen opdrachten voor hun groep en worden op het matje geroepen als er iets mis is. Voor de arbeiders fungeert de leider als belangenbehartiger en vertegenwoordiger, bijvoorbeeld als het gaat om hun voedselvoorziening. Hij draagt onder meer zorg voor koffie, brood en maaltijden voor zijn groep.

Over het algemeen is het eten van de dwangarbeiders in de Liemers van redelijke kwaliteit. Verse groenten en aardappels komen zo van het land. Alleen zijn de porties ontoereikend voor wie zwaar grondwerk moet verrichten. En de bieten die de Utrechtse mannen rooien? Die zijn waarschijnlijk bestemd voor de centrale keuken van hun eigen kamp.

De oogst binnenhalen op het platteland. Dit klinkt eigenlijk best idyllisch. Hierna gaan we eens kijken hoe het werk langs de Rijn vordert op een bouwlocatie aan het front.

(Literatuur. Bron verhaal W. de Kam: Zevenaar 50 jaar bevrijd, deel II. Bron Wahlen over Zevenaar en dichter Engelman: Ons laatste halfjaar. Bron brief van Julia Wolfensberger: website Het Utrechts Archief, nieuwsbericht. Bron situatie Didam: Er op of er onder. Bron citaat dichter: Tijdschrift Raam, jaargang 1966, artikel Brief van Jan Engelman aan Jan Cartens over De Katholieke Jongeren, Nolens en het Fascisme, 28 november 1964. Bron werk bij Loo en het Berghoofdse Veer: Ik herinner me. Zie Bronnen voor de geraadpleegde literatuur.)

(Afbeeldingen. Foto onderduikers in Utrecht, vermoedelijk Hasebroekstraat 35, links K.B. van Steenwijk, collectie Het Utrechts Archief, catalogusnr 602850, fotograaf onbekend, Public Domain Mark 1.0.
Foto Vredenburg met veldkeuken en WA muziekkorps 1941 – 1944, collectie Het Utrechts Archief, catalogusnr 97903, fotodienst NSB, Public Domain Mark 1.0.
Foto ‘Terug van dwangarbeid’, mannen in Utrecht waarschijnlijk na een lokale klus, oktober 1944: NIOD 163612 Beeldbank WO2 – NIOD – foto F.W. Bonnet Utrecht.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.