Dwangarbeider na razzia’s in het Gooi en in Zeist

(Wat vooraf gaat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werken honderdduizenden Nederlanders gedwongen in Duitsland. Ook in Nederland zelf worden dwangarbeiders ingezet, onder meer bij de aanleg van Duitse verdedigingslinies. Eind september 1944 wordt de Rijn in Gelderland frontgebied. Veel bewoners moeten vertrekken. Na diverse razzia’s brengen de Duitsers duizenden mannen naar dit spergebied. Hier ontstaat de Panther-Stellung, ondanks aanhoudende geallieerde beschietingen.)

Het perspectief van de bezetter

In oktober 1944 zit het de Duitse bezetter behoorlijk tegen. Hoewel in veel gezinnen de honger begint te knagen en tal van huisvaders geen baan meer hebben, lukt het nauwelijks om voldoende mannen voor het graafwerk te vinden. Laat staan ze te behouden. Want als ze eenmaal in het frontgebied zijn, lopen deze arbeidskrachten weg zodra zij de kans krijgen.

Wat is er recentelijk al gedaan om mannen voor de Panther-Stellung te werven? Het begon met oproepen en pressie in de regio (Arnhem en omgeving, de Liemers en de Achterhoek). Daarna volgden razzia’s in Apeldoorn en Utrecht. Echt stevig doorwerken doen die opgepakte mannen niet. Toch moeten er in hoog tempo meerdere linies tegelijk worden aangelegd. Van de Rijn tot aan de Waddenzee in heel oostelijk Nederland. Hiervoor zijn tienduizenden extra arbeidskrachten nodig. En snel.

Aan de arbeidsvoorwaarden kan het niet liggen. Elke Nederlandse arbeider krijgt per dag ƒ 5 aangeboden, plus rookwaren en goede kost. (Vooral die rookartikelen zijn gewild.) Bovendien krijgen achterblijvende gezinsleden alle zorg die zij nodig hebben. Aan vrouw en kinderen worden extra levensmiddelen verstrekt. Dat ligt in de bedoeling. Ook de geldende bepalingen rond sociale voorzieningen worden netjes nageleefd. Zelfs een onderkomen bij de bouwlocaties elders in het land is al geregeld. Wat willen die Nederlanders nog meer?

Spitters voor de Panther-Stellung

Anderhalve maand na het begin van de aanleg van de Panther-Stellung is dat wel duidelijk. Vrijwel iedereen wil zo gauw mogelijk uit het frontgebied weg. Wat meespeelt: er is de mannen voorgehouden dat ze hooguit twee tot vier weken moeten graven. Daarna komen nieuwe ploegen hun plekken overnemen. Dat hebben de Duitsers herhaaldelijk gezegd. Maar in praktijk komt er weinig van dit roulatiesysteem terecht. De opkomst na opeenvolgende wervingscampagnes valt tegen. Verlofgangers breken woord en keren niet terug.

De Duitse ploegbazen kunnen al evenmin van hun meerderen op aan. Toezeggingen zijn zelden betrouwbaar. Alle Duitse organisaties kampen met tekorten aan mankracht en middelen. Er is voortdurend onderling getouwtrek om mensen. Maar de bouw van de verdedigingslinies moet doorgaan. Dus brengen de bazen de boodschap nog maar eens over aan hun hoger geplaatsen: ‘We hebben meer mannen nodig.’ Uiteindelijk treft de leiding maatregelen.

Razzia’s in Zeist en in het Gooi

Dus volgen er razzia’s, vooral in de tweede helft van oktober. Nu zijn Hilversum, Naarden, Bussum en Zeist aan de beurt. Voor zover er dwangarbeiders bij de Panther-Stellung worden ingezet, zien we de opgepakte mannen enige dagen later in de volgende plaatsen terug:

  • 23 oktober 1944 – Razzia in Hilversum op mannen van 17 tot 50 jaar, circa 3.800 mannen. Een deel vertrekt onder meer naar Oosterbeek, Wolfheze en Doorwerth waar zij in en rond deze plaatsen aan de verdedigingslinie werken.
  • 24 oktober 1944 – Razzia’s in Bussum en Naarden op mannen van 17 tot 40 (of 50) jaar. Uit Bussum komen circa 1.200 mannen en uit Naarden circa 400. Zij worden in Arnhem ondergebracht in het Diaconessenhuis en in Vreedenhoff. Hun werkgebied is Arnhem en omgeving.
  • 28 oktober 1944 – Razzia in Zeist mannen tussen de 17 tot 50 jaar, 3.200 mannen, waaronder circa 700 evacués uit Arnhem en Limburg. Een deel belandt in Arnhem en in de Liemers.

Diezelfde week zet het SS-Kommando in Zevenaar de mannelijke bevolking van Winterswijk stevig onder druk. Ook uit die plaats verschijnen op 28 oktober ongeveer 1.600 mannen voor graafwerk rond Zevenaar. Mogelijk moet een deel van deze groep eveneens bij het front langs de Rijn aan de slag.

Razzia’s Hilversum, Bussum & Naarden, 23 en 24 oktober 1944

Vergelijkbaar met de recente gehouden razzia’s in Apeldoorn en Utrecht, doorlopen de Duitse acties een vast patroon in Hilversum, Naarden, Bussum en Zeist. Zo klinken er op 24 oktober al om 7 uur ‘s morgens sirenes in Bussum. Aktion Bussum is begonnen. Buiten op straat hangen biljetten waarop staat dat mannen van 17 tot 40 (of 50) jaar zich moeten melden in het Sportpark Zuid. Hen wacht graafwerk voor de Duitse Wehrmacht. Niemand weet tot wanneer. Wel is vermeld wat de mannen moeten meebrengen: een deken, eetgerei, warme kleding, een schop en hun identiteitspapieren.

Al spoedig volgen huiszoekingen. Toevallig passerende uit Arnhem geëvacueerde mannen worden tijdens hun doortocht in Bussum ook aangehouden en opgepakt. Waar de deur gesloten blijft, zoals bij verlaten huizen van NSB’ers, verschaffen de soldaten zich na het commando ‘sprengen’ toegang met een handgranaat. Deze militairen zijn verder met automatische pistolen bewapend.

Controleprocedure in Sportpark Zuid

Alle mannen worden in het Sportpark bijeen gebracht. Daar vindt aan tafeltjes controle van papieren en een medische keuring plaats. Wie iets mankeert of levensmiddelen verhandelt, maakt soms kans op vrijstelling. Voor de vele wachtenden duurt de procedure lang. De Duitse militaire dokter keurt de zieken trouwens niet snel af. Iemand moet eerst half dood zijn, voordat hij wordt afgekeurd. Zo moet een zware hartpatiënt ‘met een geheel blauw gezicht’ gewoon mee op transport.

De heer Daarnhouwer is een van de wachtende mannen die bij de tafeltjes het gebeuren gadeslaat. Op Graven in de vuurlinie zullen we hem nog regelmatig horen vertellen over zijn belevenissen met de Duitsers, later in Arnhem. Nu ziet hij het selectieproces van de dokter met lede ogen aan. ‘Een man met spataderen van zijn enkel tot zijn knieholte moest ook mee.’, schrijft hij. Tegen die man werd gezegd: ‘Als je niet kunt lopen, dan ga je maar op de volgwagens zitten en in het kamp plaatsen ze je wel op kantoor.’ Dat is inderdaad gebeurd.

Met rokers heeft de dokter al helemaal geen geduld. Iemand mag bij de mannen op de tribune gaan zitten nadat hij met ontbloot bovenlijf is gekeurd. Mogelijk heeft hij open TBC. ‘Helaas was hij zo dom om na verloop van een half uur een sigaar op te steken. Prompt werd hij door den dokter naar beneden gehaald en moest hij zich bij degenen scharen die mee moesten.’ Na acht kilometer wandelen valt deze man alsnog uit. Ook hartpatiënten, die de tocht niet volhouden, worden langs de weg achtergelaten. Alleen zwaar invalide mensen komen bij de keuring op doktersattest vrij.

In het Sportpark blijkt dat de Duitsers alles wat mannelijk is uit huis hebben gesleurd. Zelfs degenen, die normaal gesproken van de arbeidsinzet zijn vrijgesteld, staan op het veld. ‘Zo waren er 16 politiemannen uit Bussum, de gehele Technische Noodhulp, een aantal postbestellers, personeel van de centrale keuken, van de Gasfabriek, doktoren, kruideniers, groenten-, melk- en andere boeren, bakkers, enzovoort.’ Tot zijn genoegen ziet Daarnhouwer later een aantal opgepakte NSB’ers, een commandant van de Landwacht en een WA-man in Arnhem terug. Deze Duitsgezinde lieden lopen dan hartgrondig te tieren over hun ‘vrijheidsberoving’. De zestien politiemannen in Arnhem mogen alsnog vertrekken op 26 oktober.

Op weg naar Kamp Amersfoort

Gelukkig brengen vrouwen koffertjes met eten en kleren na, want uiteindelijk vertrekken de nieuwe dwangarbeiders naar Kamp Amersfoort. Ze komen te voet over de Huizerweg via de Rijksstraatweg langs Laren en Soest. Hoewel militaire bewakers ter intimidatie over hun hoofden heen schieten, weten sommigen nog te ‘drossen’.

Toch komen de meesten na een wandeltocht van zeven uur ’s avonds aan in Kamp Amersfoort. Dit beruchte concentratiekamp fungeert onder meer als tussenstation en Durchgangslager voor gravers die naar het oosten gaan. De mannen uit Hilversum zijn hier een dag eerder gepasseerd. Ook mannen uit Naarden belanden op 24 oktober in dit Amersfoortse kamp.

Indrukken uit Kamp Amersfoort

Er bestaan talloze ooggetuigenverslagen van Nederlandse dwangarbeiders die een of meer dagen in Kamp Amersfoort doorbrengen, vooraleer zij verder naar het oosten reizen. Het gros wordt in Duitsland tewerkgesteld. Anderen komen terecht op verschillende locaties in Nederland. Zo moet Daarnhouwer naar het frontgebied in Gelderland. Wat hij in het Amersfoortse doorgangskamp ervaart, is kenmerkend voor de situatie van mannen die aan de Panther-Stellung werken. Bij aankomst is het al donker, die avond op 24 oktober 1944. ‘Wij werden fel belicht door schijnwerpers en voelden ons als echte misdadigers toen wij tussen de hoge hagen prikkeldraad doorliepen.’

Een paar dagen later wordt Henk Koster bij de razzia in Zeist opgepakt, in het Bisonpark aldaar met duizenden anderen bijeen gedreven en in colonne via Soesterberg naar Kamp Amersfoort afgevoerd. Alleen al de aanblik van dit kamp bezorgt hem de koude rillingen:

Kamp Amersfoort, barakken, wachttoren en prikkeldraad

‘Toen we door de hekken liepen en de naargeestige barakken zagen, de torens met gerichte mitrailleurs en de vijandige prikkeldraad-omheiningen, sloeg de schrik me om het hart. Hoe kom ik hier uit, spookte door mijn hoofd. De gruwelijke verhalen over concentratiekampen waren misschien niet in volle omvang bekend, maar werden ook toen al wel verteld. Het kamp was meteen overbevolkt en er was niet voldoende slaapruimte voor iedereen, zelfs niet als een krib met een ander werd gedeeld.’
Ook Daarnhouwer beschrijft het onderkomen: ‘In het kamp, dat blijkbaar geleid wordt door Nederlandse SS, werden ons barakken aangewezen met kribben meestal 3 boven elkaar. Er lag een dun stro zakje op en daar het er warm was, hadden wij genoeg aan ons meegebrachte dekentje.’

En dan de sanitaire voorzieningen: ‘In onze barak lagen een paar 100 man die zich met één wc en één kraan moesten behelpen. […] Licht was er op die plaats ook al niet. Toen er op een ogenblik een opstopping was, bleek dat er iemand was flauwgevallen en in zijn volle lengte in de drek lag. Iedereen is gekleed te bed gaan liggen.’ Het laat zich raden hoe ontzettend smerig de barakken zijn. De stank is onbeschrijfelijk. Jan Kroonenburg is tijdens de razzia in Naarden opgepakt, eveneens op 24 oktober, en naar het kamp gebracht. Hij legt als dwangarbeider tot in Arnhem dezelfde weg af als Daarnhouwer en rept over ‘waden door de urine’. Geen wonder dat er mannen door de adembenemende stank onderuit gaan.

‘Nu had men verwacht dat iedereen vermoeid zou zijn, maar in alle zaaltjes bevonden zich opgeschoten jongens die het geval blijkbaar nog steeds als een grap beschouwden en liefst tot half één lawaai maakten.’ Daarnhouwer verbaast zich hierover. Maar waar ze ook vandaan komen, er zitten altijd wel jonge gasten in zo’n groep die zich gedragen alsof ze op zomerkamp zijn.

De volgende ochtend, 25 oktober, is de realiteit in Kamp Amersfoort toch heus anders. Daarnhouwer: ‘Toen het licht werd, opende men de barak en konden wij de buurt eens gaan verkennen. De eersten werden meteen gepakt om in de houtzagerij te gaan werken. Dadelijk werden wij omringd door kaalgeschoren gevangenen die om sigaretten en shag bedelden. Wij hebben lang met hen gesproken en zo het een en ander gehoord, totdat de leiding het blijkbaar genoeg vond en ons uiteen joeg.’

Oorspronkelijk was Kamp Amersfoort een kazerneterrein van het Nederlandse leger. Tijdens de bezetting valt het kamp in handen van de Duitsers. Zij hernoemen het kamp Erweitertes Polizeigefängnis Amersfoort en richten het in als concentratiekamp voor verschillende soorten ‘vijanden’. De Bussumers hebben mogelijk gesproken met verzetsstrijders, werkweigeraars en weglopers van de Arbeitseinsatz, communisten, gijzelaars, (vermeende) criminelen zoals zwarthandelaren, joden, Jehova’s getuigen, Amerikanen en/of Russische krijgsgevangenen. Deze gevangenen worden onthutsend slecht behandeld. Velen overleven de oorlog niet.

De Bussumers krijgen enige bewegingsvrijheid op het kampterrein en ontdekken een grote barak ‘met wel 100 wc’s naast elkaar en een ruimte met vele kranen en bakken om zich te wassen.’ Minder rooskleurig is het beeld dat Anton en Nanne Nauta, twee in Zeist opgepakte Arnhemmers, van de sanitaire voorzieningen schetsen: ‘De Duitsers noemden het latrines. In een soort gang stonden naast elkaar 30 bruin geglazuurde rioolpijpen en daartegenover nog eens 30. Slecht papier hing bij de toegangsdeur. Het is meer dan mensonterend zo in het bijzijn van anderen te poepen. Vaak stond er nog iemand voor je die je bijna van de pot keek.’ Deze situatie maakt duidelijk hoe onverschillig de kampleiding met de mannen omspringt. Men had hen evengoed de vorige avond op de barak met ‘toiletten’ kunnen wijzen.

De mannen zijn trouwens al ruim anderhalve dag van huis, wanneer er eindelijk eten op tafel komt. Volgens diverse getuigen krijgen ze in die periode een behoorlijke maaltijd. Wel geldt het recht van de snelste.

‘Om half vier werd er eindelijk warm eten uitgereikt, een stevige stamppot met stukjes vlees. Het was een gedrang van jewelste, er werd wel enigszins orde geschept, maar er kon niet verhinderd worden dat sommige uitgehongerden al hun derde ‘prak’ op hadden toen anderen hun eerste nog niet eens hadden genoten. Om 7 uur werd opnieuw warm eten gegeven, nu in de barak daar het al donker was. Met wel gevulde magen lag nu de gehele gemeente op de kribben te wachten op de dingen die komen zouden.’

Waarop Daarnhouwer vervolgt met een veelzeggende verzuchting: ‘Van toen af deed het geruchtenspook zijn intrede en [dat] heeft ons nooit meer verlaten.’

Het geruchtenspook

Aangezien de Duitsers niet erg mededeelzaam zijn, verkeren de mannen doorlopend in onwetendheid en onzekerheid over wat hen te wachten staat. Dat begint zodra ze worden opgepakt en het eindigt voor de meesten pas bij de bevrijding van Nederland. Henk Bast, een Rotterdamse dwangarbeider, vertelt dat ze bij de verdedigingslinie iedere ochtend aan de werkleider vroegen of ze op pad moesten ‘mit Gepäck oder ohne Gepäck’. Dus met of zonder hun volledige bagage. Want zelfs een verhuizing naar een ander verblijfskamp werd niet vooraf aangekondigd en dan werd hen nauwelijks tijd gegund om hun spullen te pakken.

Ook in Kamp Amersfoort proberen de mannen te weten te komen wat er om hen heen gebeurt en waar ze naartoe gaan. Elk flintertje informatie wakkert een wilde geruchtenstroom aan. Zo hoort Daarnhouwer via via dat ‘een Rode Kruis dokter, die ‘s middags in het kamp was geweest, zou hebben vertelt dat Den Bosch, Arnhem, Ede en Wageningen plotseling door de Tommies waren bezet. Met andere woorden, dat er een groot offensief aan de gang was. We vonden het helemaal niet zo vreemd, want in de verte hoorden we aanhoudend zwaar artillerie vuur. […] Toen schijnt er weer iemand het denkbeeld te hebben geopperd dat we de begin oktober opgepikte Amersfoorters zouden gaan aflossen in Hoevelaken en dat we in ieder geval ruimte moesten maken voor de opgepikten uit Weesp en Amsterdam die de volgende dag in Amersfoort zouden aankomen, precies zoals de Hilversummers onze voorgangers waren geweest.’ Deze nieuwtjes worden uitgewisseld tijdens het eten.

Terug in de barak liggen de mannen zich te vervelen. Een paar gangmakers in de groep beginnen daarop met ‘community singing’. Al snel doen er anderen mee. Het wordt zelfs een vrolijke boel, daar in Kamp Amersfoort. Zijn ze nu helemaal gek geworden, zal een SS’er hebben gedacht. Een beetje plezier maken, terwijl er Ordnung muss sein. Volgens Daarnhouwer was het gevolg ‘dat een SS’er kwam waarschuwen dat men dit lawaai niet kon dulden en dat wanneer we niet onmiddellijk ophielden, het licht uitgedaan zou worden. Het lawaai hield natuurlijk niet op. Als straf moesten we eerst enige keren met de grootste snelheid op onze kribben klauteren en weer afdalen, waarna we instructie kregen om ons uit te kleden. Na enige minuten werd het licht uitgedaan en al spoedig werd het stil. Dat was circa 20.15 uur.’

Deze kinderachtige strafmaatregel valt nog mee. In een SS-opleidingskamp zou het er aanzienlijk harder aan toe zijn gegaan. Maar goed. Zijn ze eindelijk rustig, worden de Bussumse mannen een kwartier later alweer uit bed getrommeld. Daarover meer bij het transport naar Arnhem.

Transport naar Arnhem met variatie in routes

De mannen uit Bussum, 25 oktober 1944

’s Avonds om 20.30 uur is het zover. In Kamp Amersfoort gaat in de barak plotseling het licht weer aan. De Bussumers moeten zich aankleden en buiten met bagage aantreden. Het artillerievuur klinkt nu aanzienlijk luider. Sommige optimisten hopen dat ze vrij worden gelaten, maar niets is minder waar. Onder zware bewaking door Nederlandse SS’ers vertrekken de mannen in de donkere nacht over de hei naar station Amersfoort. Ze komen daar om half tien aan.

Kennelijk is er een logistieke kink in de kabel gekomen, want de mannen moeten uren wachten. En maar blijven staan, op de hoge weg langs het emplacement en op het emplacement zelf. Daarnhouwer vertelt over de toestand: ‘Het werd op het laatst zo koud dat er steeds mensen flauwvielen. Velen hadden hun deken losgemaakt en zaten tegen elkaar aangeleund op de grond. Zelfs de bewakers kregen er tenslotte schoon genoeg van.’

Die nacht van 25 op 26 oktober 1944 rijdt er pas een trein voor om half vier ’s morgens. Daarna duurt het nog eens twee uur voordat iedereen (circa 1.250 man) is ingestapt. Volgens Daarnhouwer is het een passagierstrein met 29 wagons die normaliter tussen Groningen en Nieuweschans pendelt. Wellicht hangen de plaatsnaambordjes er nog aan. Zelf kan hij geen zitplaats meer vinden en hangt hij half op een leuning en half op zijn bagage. De trein vertrekt uiteindelijk pas om half zes in de ochtend.

Wanneer de trein Apeldoorn binnenrijdt, is het al licht geworden. ‘Gelukkig hing er een zware mist, want anders zou de trein stellig onder vuur zijn genomen door geallieerde vliegtuigen.’ Om die reden worden de dwangarbeiders steeds bij nacht en ontij per trein vervoerd. In Apeldoorn krijgen de mannen gelegenheid om hun behoefte te doen en briefjes voor het thuisfront aan omstanders mee te geven.

Sinds vertrek uit Kamp Amersfoort zijn er negen uren verstreken. Dan gaat de rit verder. Daarnhouwer beschrijft hoe de mannen reageren wanneer ze ontdekken welke stad hun bestemming is.
‘Waar we toen naar toe reden, was ons eerst in het geheel niet duidelijk. Als we naar Duitsland waren gegaan, dan hadden we Deventer moeten passeren, maar die plaats kwam maar niet. Plotseling zaten we in Dieren, hetgeen de kwestie nog ingewikkelder maakte. Overal zagen we bomtrechters en verwoeste huizen langs de spoorbaan. De volgende plaats waar we even stopten bleek de Steeg te zijn, daarna kwam Velp en toen wisten we met stelligheid dat we vlak achter het front zouden komen te zitten. Er werd in de trein haast geen woord meer gesproken. Toen we over een lange spoordijk de verlaten stad Arnhem binnenreden, waar een maand tevoren zo’n zware strijd had gewoed en die volgens den Rode Kruis dokter te Amersfoort daags tevoren door de Tommies zou zijn bezet, geschiedde dit onder een ijzige stilte.’

De mannen uit Naarden, 24 oktober

Hoe de razzia in Naarden, de tocht naar Kamp Amersfoort en voortzetting van de reis naar Arnhem verloopt, toont dit korte filmpje.

Gedenkroute Naarden

De mannen uit Zeist, 29 oktober

Henk Koster vertelt dat ook de mannen uit Zeist enkele dagen later ‘als vee’ van het kamp naar station Amersfoort worden gedreven. Dat gaat er niet al te zachtzinnig aan toe. Zij maken bovendien ter plekke een bombardement mee. Iedereen is uiterst gespannen, ook de bewakers met hun pistolen en machinegeweren. Elk moment kan er paniek en chaos uitbreken. Maar de Duitsers houden de zenuwachtige mensenmassa met ijzeren discipline en wapens stevig in het gareel. Toch weten sommige mannen in de onrust te ontsnappen.

Dat leidt weer tot vertraging. Nanne Nauta: ‘We gingen op pad naar station Amersfoort in het pikkedonker, maar omdat geallieerde vliegtuigen overvlogen, moesten we dekking zoeken. Na die aanval werden we geteld en jawel hoor, een aantal mannen had duisternis en bos benut om te vluchten. Dat werd dus een zoekactie van meer dan een uur met veel geschiet en geschreeuw.’

Op het station wacht een lange trein met goederenwagons en met wagons waarin vrijwel geen ruit meer heel is. De mannen uit Zeist worden er met geweld ingepropt en staand vervoerd. Bij alle wagons houdt een alerte Duitse de wacht voor de schuifdeuren. Niemand weet wat de bestemming is, maar de rit duurt úren. Er is geen streepje buitenlucht te zien in de goederenwagons en gaandeweg verliezen de mannen alle gevoel voor richting.

De heer Hartogsveld heeft zich tijdens de razzia in Zeist gemeld en is daarna per fiets naar kamp Amersfoort gereden. Bij oproepen verzoeken de Duitsers mensen om hun fietsen mee te brengen. ‘Meegebrachte fietsen blijven in het bezit van den eigenaar.’ Dit gebeurt uit praktisch oogpunt, want vervoermiddelen zijn schaars. Met fietsen kunnen de dwangarbeiders zonder veel tijdverlies vanuit de verblijfskampen ook verderaf gelegen werklocaties bereiken. De wielrijders vertrekken samen met hun fietsen in goederenwagons vanaf het Amersfoortse station. Volgens Hartogsveld gaat de treinrit over Voorthuizen en Ede naar Arnhem, waar ze op maandag 30 oktober om 7 uur in de ochtend aankomen.

De 16 jaar oude Russer uit Zeist gaat op eigen gelegenheid naar Arnhem toe. Hij is nota bene eerder bij de razzia opgepakt, maar zelf uit het Bisonpark in Zeist ontsnapt. Als remplaçant voor een verzetsstrijder meldt hij zich kort daarna alsnog bij de Duitsers.

‘Te voet ben ik in 2 dagreizen via Woudenberg en Renswoude, de Klomp en Ede naar Arnhem getrokken. Ik had een speciale Ausweis gekregen en een papier als bewijs, dat ik als ‘Einsatzarbeiter’ op weg was naar Arnhem. Onderweg geslapen in scholen op stro met trekkers (etenshalers). Bij Arnhem aangekomen moest ik mij melden bij een prikkeldraadafrastering en mijn papieren tonen aan Duitse Feldpolizei.’

Die controlepost van de Duitse Feldpolizei stond vermoedelijk op de kruising van de Amsterdamseweg en de Schelmseweg. ‘Ik mocht te voet verder de stad in, het werd al donker en werd enkele malen aangehouden, omdat je niet alleen en nog minder na invallen van de duisternis alleen in de (geheel lege en ontruimde stad Arnhem) mocht zijn. Het is goed afgelopen!’

Verbodsborden bij de Deelenseweg, Arnhem, 1945

Aankomst in spookstad Arnhem

Dat het ontruimde en gehavende Arnhem nogal een lugubere indruk maakt op de dwangarbeiders, blijkt uit diverse verhalen. De passagierstrein met mannen uit Bussum komt in de mistige ochtend van 26 oktober om half tien in Arnhem aan. De heer Ir W.J. Velthuijsen: ‘We ontdekten dat we waren aangekomen op het station van de geëvacueerde stad Arnhem. Na het uitstappen ondergingen wij de wel heel erg bizarre ervaring van de mars door deze geheel en al verlaten, doodstille spookstad. Netjes drie aan drie in colonne, op weg naar onze volgende bestemming.’

Op het station splitsen de Duitsers de massa in twee grote groepen. De ene groep marcheert naar het bejaardenhuis Vreedenhoff aan de Velperweg. De andere vertrekt over de Amsterdamseweg naar het dan nog ‘zeer fraaie, modern ingerichte Diaconessenhuis’ aan de Van Lawick van Pabststraat. Op vergelijkbare wijze worden mannen uit andere plaatsen na aankomst in Arnhem verspreid over de verblijfskampen in de stad zelf en elders in omliggende gemeenten.

Aktion Hilversum, 23 oktober 1944

De razzia in Hilversum van 23 oktober 1944 verloopt op gangbare wijze: circa 3.800 mannen oppakken; daarna verzamelen, keuren en tellen in het Gemeentelijk Sportpark, en tot slot ’s avonds lopen naar Kamp Amersfoort. De vers aangevoerde dwangarbeiders uit Hilversum verrichten hier eerst enkele dagen graafwerk in de omgeving. Vervolgens vertrekt een deel van hen door naar Duitsland.

Anderen moeten op diverse locaties in Nederland aan de slag, waaronder langs de Rijn van Rhenen tot Arnhem. Over hun route is informatie welkom. Voor zover bekend, komen zij lopend en kleumend van de kou in het gebied aan, met stukgelopen schoenen en blaren op hun voeten.

Naar kampen in Arnhem, de Liemers en langs Veluwezoom

De Bussumers hebben al enkele namen van verblijfskampen in Arnhem genoemd. Veel mannen uit Bussum, Naarden en Zeist komen in Arnhem terecht. De NSDAP brengt hen onder in het Diaconessenhuis, de St. Jansschool in Klarendal, bejaardenhuis Vreedenhoff, de Oranjeschool in de Sloetstraat, School XVI in de Rosendaalsestraat en een school in de Thomas à Kempislaan). Verder verblijven er mannen in de wijk de Geitenkamp en in het naburige Schaarsbergen.

Daarnaast zien we onder andere de Hilversummers terug in Oosterbeek (de Johannahoeve), Doorwerth (in het op 22 oktober ontruimde Huize Mooiland) en in Ede. Tot besluit reist een geringer aantal dwangarbeiders uit Zeist en het Gooi door naar de Liemers, waar ze worden ondergebracht in Duiven, Zevenaar en Loo.

Arnhemse wijk de Geitenkamp, een geval apart

Aan de noordoostelijke rand van Arnhem ligt de Geitenkamp, een mooi gebouwde grote arbeiderswijk. Deze wijk wordt, net als de rest van de stad, eind september 1944 ontruimd. Vervolgens trekken Duitse militairen in een aantal leegstaande huizenblokken. Tijdens de Slag om Arnhem is er in deze wijk niet gevochten en bombardementen hebben nog weinig schade aangericht. En hoewel een aantal woningen moedwillig is vernield, verkeert het merendeel nog in heel behoorlijke staat.

Het duurt dan ook niet lang, voordat zich hier een geheel nieuwe gemeenschap vormt. Stiekem terugkerende Arnhemse evacués, die zo dicht mogelijk bij hun woning elders in de stad willen blijven. En Arnhemmers die tijdens de razzia’s in Zeist, Hilversum, Bussum, Naarden of andere plaatsen zijn opgepakt en nu weer keurig door de Duitsers in hun thuisstad zijn teruggebracht. Als dwangarbeiders, weliswaar, maar toch. Zij mogen zelfs hun gezinnen over laten komen naar hun nieuwe tijdelijke onderkomen in de Geitenkamp.

Markant poortgebouw en arbeiderswoningen met tuintjes in de Geitenkamp

Van Iddekinge, de belangrijkste chroniqueur van Arnhem in oorlogstijd, schrijft hierover het volgende: ‘De mogelijkheid om in gezinsverband naar Arnhem terug te keren was voor verscheidenen, met name natuurlijk voor Geitenkampers, zelfs een soort ‘premie’ op vrijwillig werken voor de Duitsers. Ze konden naar hun eigen woningen terug. En het sprak vanzelf dat gezinshereniging een privilege was dat ook niet-Arnhemmers aanlokte: een aantal Zeistenaren, Bussumers en anderen probeerden er eveneens gebruik van te maken. Velen namen zo hun intrek in andermans huizen.’

Als bijkomend voordeel kunnen de mannen uit Zeist en het Gooi met hun thuisfront contact houden via een vrijwel dagelijkse werkende postverbinding. De Technische noodhulp in Bussum verzorgt met vrachtauto’s een zogenoemde ‘Nooddienst Bussum-Arnhem v.v.’. Hiervoor worden zelfs speciale zegeltjes gedrukt. Dat deze service gaandeweg controversieel wordt, zullen we nog zien.

De Geitenkamp ligt binnen het bewaakte spergebied aan de buitenrand van Arnhem en is omringd door prikkeldraadversperringen met een controlepost bij de Rosendaalseweg. Echt makkelijk komen mensen hier niet ongezien in of uit, tenzij men sluiproutes kent. Op Graven in de vuurlinie zal nog een uitgebreider artikel verschijnen over de wonderlijke toestand in deze wijk gedurende de evacuatieperiode. Andere in Zeist opgepakte Arnhemmers verblijven in de Oranjeschool. Al deze mensen werken voornamelijk aan de stellingbouw langs de Rijn en de IJssel. Incidenteel krijgen ze ook andere taken, zoals aardappels schillen voor de kampkeuken en opruimen van munitie.

Drossen, remplaçanten of wachten op verlof

Zoals overal, proberen er mannen onder de verplichte arbeidsinzet uit te komen. Reeds voordat de razzia’s plaatsvinden, houden veel mannen zich schuil. Vanaf het najaar van 1944 verdwijnen mannen in de werkzame leeftijd steeds meer uit het straatbeeld. Ook tijdens de transporten ontsnappen er dwangarbeiders. Vooral wanneer ze bemerken dat er weinig tot niets terechtkomt van het wisselsysteem, gaan dergelijke pogingen in de verblijfskampen door.

Velthuijsen vertelt over een verlofregeling voor dwangarbeiders in Vreedenhoff. ‘Een groepje gevangenen mocht een week naar huis, naar Bussum, en als die terug waren gekomen mocht een volgend groepje een week met verlof. Omdat er niemand van dat eerste groepje terug kwam, werd er een nieuwe regeling gemaakt op basis van remplaçanten. Die regeling werkte goed. Mijn vader, hij was toen ouder dan 50 jaar, is nog een keer remplaçant geweest zowel voor mijn broer als voor mij.’

Intussen zit de pendeldienst tussen Naarden, Bussum en Arnhem evenmin stil. Kroonenburg wordt waarschijnlijk door mensen van deze dienst weggehaald, omdat zijn vader ernstig ziek is. Velthuijsen vlucht in het voorjaar van 1945 samen met zijn als dwangarbeider werkende broer weg uit Arnhem. Beiden komen veilig thuis en brengen de resterende oorlogsmaanden als onderduikers door.

En dan is er nog het Edese Rode Kruis. Dat verzorgt in een hospitaaltje de uit het spergebied afgevoerde ‘zieke’ arbeiders. Samen met de ‘illegaliteit’ helpen ze zoveel mogelijk tewerkgestelden uit het gebied te krijgen. ‘Van de 700 Hilversummers zijn er nog 80 over’, constateert Marisa Quanjer op 1 december 1944. Zij werkt in het hulpziekenhuis in de huishoudschool.

De regeling met remplaçanten wordt in korte tijd bijzonder populair. Daarnhouwer in het Arnhemse Diaconessenhuis hoort eveneens van deze regeling. Na wekenlang gesoebat en de nodige bureaucratie, verkrijgt hij de instemming van de Duitse kampleiding. En goed voorbeeld doet goed volgen. Na terugkeer in Bussum concludeert hij op 5 februari 1945: ‘Velen zijn na ons ook vrijgekomen, maar het merendeel zit er nog steeds. […] Vele jonge mannen uit Bussum hebben zich ook in de afgelopen weken als remplaçant aangeboden, deels wegens het geld, maar meestal omdat zij gehoord hadden dat men in Arnhem flink te eten kreeg, terwijl men hier praktisch honger moet lijden.’

Fietsend naar Duiven

Voor wie zich afvraagt hoe het met de fietsende Zeistenaren afloopt, keren we terug naar maandag 30 oktober 1944. Het is twee dagen nadat heel Zeist om 7 uur is gewekt door hevig schietende en met handgranaten gooiende Duitse Feldgendarmerie. Nu is het weer 7 uur in de ochtend en staan de mannen in Arnhem op het station. Ze worden zolang in de ‘Duitse Hogeschool’ aan de Velperweg gedropt, voordat blijkt wat hun bestemming wordt. Om 16.30 uur krijgen ze een spade uitgereikt, plus een heel brood met worst en boter. Daar moeten ze het de komende 24 uur mee doen.

Hartogsveld vertelt hoe het daarna verder gaat: ‘De ongeveer 250 fietsers en 200 voetgangers werden over Westervoort naar Duiven gebracht, dicht bij Zevenaar, terwijl het overgrote deel in Arnhem achterbleef, naar later bleek om puin te ruimen. Wij kwamen om omstreeks acht uur ’s avonds in Duiven aan. Er was nog niet eens bivak voor ons gemaakt, zodat wij op een dun laagje stro moesten liggen. De stemming was gedrukt toch goed te noemen.’

Hij beseft dan nog niet, dat het bij een dun laagje stro zal blijven. Zijn nieuwe onderkomen is een dorpsschool in Duiven en de komende dagen zal hij graafwerk verrichten in Loo. In het eerstvolgende artikel op Graven in de vuurlinie kunt u meer lezen over de omstandigheden in zijn nieuwe verblijfplaats.

Tot besluit

Maandenlang werken de mannen uit het Gooi en uit Zeist aan de Duitse verdedigingslinie langs de Rijn. Ze zullen beschietingen en bombardementen meemaken in Arnhem. Ze zullen het zwaar krijgen in Doorwerth en overal zullen ze kou moeten doorstaan.

Daarnhouwer over het lot van zijn plaatsgenoten: ‘Gisteren, 4 februari 1945, is nu bericht te Bussum ontvangen dat alle Bussumers Arnhem verlaten hebben en in Zevenaar, Emmerik en in plaatsen achter de IJssel zijn gebracht.’

Een troost. Dat zijn de plaatsen langs de Panther-Stellung die twee maanden later als eersten worden bevrijd.

(Literatuur. Algemene bron Arbeitseinsatz en razzia’s: Sijes, De Arbeidsinzet. Bron website Kamp Amersfoort. Bron Naarden: verslag Kroonenburg Bron Bussum: verslag Daarnhouwer. Bron Zeist en Nauta: verslagen Anton en Nanne Nauta. Bron Henk Koster: artikel Vlucht uit dode stad. Bron Hartogsveld: Ik herinner me. Bron Russer: verslag G.A. Russer. Bron enkele details razzia Hilversum: website Dichtbij, artikel Hilversum staat stil bij groots opgezette razzia van oktober 1944. Bron Velthuijsen: artikel Herinneringen van de heer Ir W.J. Velthuijsen over zijn tewerkstelling door de Duitse bezetter, op website: 4en5meizeist.nl. Bron Edese Rode Kruis: Blik omhoog, deel 3. Zie de Bronnen voor meer informatie over de geraadpleegde documenten en literatuur.)

(Afbeeldingen. Bron tekening wandelende dwangarbeiders: Beeldbank WO2 – NIOD, nummer 182865, vervaardiger M.E. de Zaaijer, 1945. Bron foto Kamp Amersfoort, hekwerk, wachttoren en barakken: Nationaal Archief 900-4877, Anefo, fotograaf Sem Presser, 1945, CCO. Bron foto borden Gevechtsgebied bij Deelenseweg, Arnhem: Gelders Archief 1533 – 19952, fotograaf P.J. de Booijs, 1945, CC-BY-4.0 licentie. Bron video: website Gedenkroute Naarden. Bron foto Geitenkamp: Gelders Archief 1501-04 – 6159 H. van Kolstraat in de Geitenkamp, circa 1920 – 1930, fotograaf onbekend, Public Domain Mark 1.0.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.