Kampmanagement en personeelszaken

(Wat vooraf gaat. Eind september 1944 wordt de Rijn in Gelderland frontgebied. Veel bewoners moeten vertrekken, terwijl Nederlandse dwangarbeiders van elders naar het spergebied worden gebracht. De bezetter laat hen daar de Panther-Stellung verdedigingslinie aanleggen.)

‘In het algemeen hadden de Duitsers zich zeer weinig moeite gegeven voor de huisvesting van de mannen. Zij wezen hun leegstaande woningen, boerderijen, scholen of andere gebouwen toe. Er werd wat stro, soms zelfs ongedorst graan, beschikbaar gesteld, en verder moesten de mannen hun verblijf zelf inrichten. Alles wat zij nodig hadden, moesten zij maar op een of andere manier zien te bemachtigen: kachels, beddegoed, kleding, toiletartikelen.’

Sijes schrijft dit over de kenmerkende huisvesting van arbeiders in het oosten van Nederland.

Voor de aanleg van de verdedigingslinies moet de NSDAP voldoende mankracht leveren en alle personeelszaken regelen. In praktijk omvat dit takenpakket van de partij: a. werving en selectie, b. loonadministratie en sociale regelingen, c. zorgen voor huisvesting en eten.

In het najaar van 1944 zijn er twee complicerende factoren (nog afgezien van alle tekorten). 1. Het werkterrein is een totaal ontregeld frontgebied. 2. De bevolking wil niet erg meewerken. Zelfs de fanatiekste nationaalsocialisten worden er moedeloos van. Toch moet de NSDAP in sneltreinvaart verblijfskampen voor duizenden mensen inrichten.

In dit artikel zullen we zien waaruit het kampmanagement en het personeelsbeheer concreet bestaan. Verder komen enkele sociale regelingen aan bod. Werving en selectie, eufemistisch gezegd, is eerder beschreven. Dat gebeurt op basis van de arbeidsinzet eerst via de Gemeinde-einsatz en vanaf 1944 met gijzelingsacties en razzia’s. (Klik desgewenst op de rode trefwoorden met linkjes om meer hierover te lezen.)

Een taak voor de Einsatsztabes van de NSDAP

Logistiek en administratief gezien vallen de arbeiders van de Panther-Stellung onder drie regionaal opererende taakgroepen. Dit zijn de Einsatzstab Zevenaar, de Einsatzstab Arnheim en de Einsatzstab Ede van het Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden. Vergelijkbare taakgroepen zijn overal in het land actief. Zo herbergen Amersfoort, Rheden en Doetinchem aangrenzende Einsatsztabes van de NSDAP. De Duitse bouworganisatie Organisation Todt is verantwoordelijk voor de aanleg van de linie. Daarom sturen OT-medewerkers de arbeiders wel op het werk aan, maar zij bemoeien zich verder niet met hun huisvesting.

Na de grootschalige razzia s elders in Nederland moeten de NSDAP-taakgroepen binnen enkele weken duizenden mannen in kampen onderbrengen. Bij voorkeur in de buurt van werklocaties. Uit de personeelsadministratie van de Einsatzstab der NSDAP in Arnheim blijkt hoe omvangrijk deze klus is. De administratie bevat onder meer betaalbriefjes en loonlijsten met honderden namen per kamp, facturen van drukwerk en medische kosten, regelingen met instructies en allerlei formulieren. De taakgroep in Arnhem beheert, naast meerdere kampen in Arnhem zelf, ook verblijfskampen in Rheden, Velp, Duiven, Groessen en Pannerden.

Aangezien de kampen overspoeld worden met nieuw aangevoerde dwangarbeiders, staat de NSDAP oogluikend toe dat sommige mannen zelf een onderkomen zoeken in verlaten huizen of bij bewoners thuis. Daarnaast blijven groepen mannen uit nabijgelegen dorpen heen en weer pendelen vanuit huis. Dat betekent voor de partij weer een zorg minder en vrijwillig aangemelde mannen voorkomen zo tewerkstelling over de grens.

De meest alternatieve woongemeenschap van dwangarbeiders, verstekelingen, Duitse medewerkers en Duitsgezinde Nederlanders is de gedeeltelijk ontruimde Arnhemse wijk Geitenkamp. De leiding van dit kamp (feitelijk een bewaakte en met prikkeldraad omheinde woonwijk) is grotendeels in handen van NSB’ers en andere pro-Duitse lieden. Zij onderhouden een goede relatie met de Ortskommandant(en) in de stad en met OT/NSDAP-Kreisleiter Quandt. Quant houdt zich onder andere bezig met coördinatie van de gedwongen tewerkstelling. Verder treedt NSB-Kringleider Oskam er op ‘namens’ de burgemeester van Arnhem.

Laten we eens kijken naar het kampmanagement en het personeelsbeheer vanuit het perspectief van de NSDAP.

Een Lager georganiseerd volgens militair regime

De NSDAP brengt dwangarbeiders onder in ‘Lager’, ofwel kampen. Lager betekent evengoed legerplaats en dat is hier wel toepasselijk, want er heerst een enigszins militair regime. Aan het hoofd van het kamp staat een Lagerführer of kampcommandant. Dit is een paramilitaire functie binnen de SS.

De dwangarbeiders moeten per kamer of zaal een leider of kameroudste aanwijzen, die voor de Lagerführer als aanspreekpunt fungeert. De kamerleider moet onder meer getuigen dat de mannen op betaaldagen hun juiste beloning hebben ontvangen. Een vergelijkbare rol van kameroudsten is gangbaar in Duitse trainingskampen in die tijd en trainingskampen passen weer binnen de nationaalsocialistische traditie. De Lagerführer op zijn beurt, moet voor elk wissewasje in de bureaucratische molen zijn handtekening geven.

Op de bouwlocatie vervullen enkele dwangarbeiders de rol van voorman. De heer E. Kelder schrijft over deze functie in Pannerden: ‘De voorman van een groep is de man, die dagelijks aan de Hundertschaftführer opgeeft, hoeveel zieken er zijn, en hoeveel mensen er voor het werk aantreden. Meestal is hij de oudste van de groep. Verder haalt hij [tijdens de pauze] het brood etc. en speelt zo’n beetje voor vertegenwoordiger van de groep. Diverse groepen staan onder leiding van een Hundertschaftführer, zo geheten omdat dit ongeveer een honderdtal man zijn. Die staan onder leiding van de Lagerführer.’

De dagen verlopen volgens een vast stramien. ’s Morgens vroeg draven de mannen op voor appèl en dan worden ze geteld. Daarna krijgen ze taken toegewezen of kunnen ze zich voor bepaalde klussen aanmelden. Vervolgens marcheert de meerderheid in groepen naar de bouwlocatie toe. In het Zevenaarse Juvenaat krijgt iedere arbeider een eigen arbeidskaart van de administratie. Daarop worden de gewerkte dagen aangegeven. Deze kaart wordt elke ochtend ingenomen en tegen het eind van de werkdag weer aan de arbeider geretourneerd.

Bij terugkeer krijgen de spitters gezamenlijk eten uit de centrale keuken. In de avond hebben ze een paar uur vrije tijd. Waar elektriciteit is, wordt het licht centraal uitgedaan en dan moet iedereen gaan slapen.

Bewaking

Voor zover bekend, gelden er weinig huisregels in de kampen. Inspecties van strak opgemaakte bedden en keurig opgeruimde kasten worden niet gehouden, omdat deze meubels gewoonlijk ontbreken.

Het enige wat voor de NSDAP echt zwaar weegt, is dat dwangarbeiders niet weglopen. Met weglopers, ‘drossers’ of deserteurs wordt allesbehalve zachtzinnig omgegaan. Zij worden naar strafkampen gestuurd of zonder pardon in het bijzijn van andere dwangarbeiders geëxecuteerd.

In de kampen en op de bouwlocaties lopen bewakers rond van diverse Duitse veiligheidsdiensten, ordetroepen en (para)militaire organisaties. Zoals ‘Bruinhemden’, NSB’ers, bewapende OT’ers, bewapende NSDAP’ers, Rijksduitsers, militairen van de Wehrmacht, leden van de Grüne Polizei, de Hollandse SS, de Nederlandse Landwacht, de SA, de WA, de Gestapo en de Duitse SS. Over hun rol kunt meer lezen op de pagina Bewaking dwangarbeiders.

Verdeling mannen over kampen

Na elke razzia verdeelt de NSDAP de opgepakte mannen in groepen over meerdere projecten en bouwlocaties. Naar Arnhem en omgeving brengen de Duitsers onder meer dwangarbeiders uit Rotterdam, Naarden, Bussum, Hilversum, Utrecht en Groningen. Ook verblijven daar in afzonderlijke kampen Franse, Italiaanse en Russische krijgsgevangenen.

Afhankelijk van de behoefte aan werkkrachten op specifieke locaties, verplaatsen de Duitsers groepen arbeiders van het ene naar het andere kamp. Zo brengt de NSDAP na kerstmis een groep dwangarbeiders vanuit de Liemers over naar Oosterbeek. Begin januari volgt vanuit Duiven een groep mannen uit Zeist. Zij komen in Veenendaal terecht. En langs de zuidelijke Veluwezoom verschuift het werk ook geleidelijk van oost naar west.

Stadsgenoten blijven in de kampen gewoonlijk bij elkaar, samen met mannen uit andere plaatsen. Volgens ooggetuigenverslagen kunnen Rotterdammers in meerdere kampen zelfs per stadswijk of vriendengroep samen toeven.

Op onregelmatige basis laat de NSDAP werkploegen onderling afwisselen. Gewoonlijk betreft dit groepen mannen uit dezelfde herkomstplaats. Dan vervangt bijvoorbeeld een groep Rotterdammers een groep uit een andere stad die al een maand lang ergens is ingezet.

Diaconessenhuis in Arnhem

Bij aankomst mogen de dwangarbeiders vaak zelf bepalen met wie zij hun kamer delen. Die vrijheid hebben ze onder meer in het nog lege Arnhemse Diaconessenhuis. Wanneer er later nieuwe dwangarbeiders arriveren, moeten de reeds aanwezige mannen inschikken en plek vrijmaken in hun kamer. Hoe? Dat mogen ze zelf uitzoeken. Soms wordt het wel erg krap. Zoals in bejaardenhuis Mooiland, waar al zes mannen op een tweepersoonskamer zitten. Vanwege ruimtegebrek moeten ze noodgedwongen stapelbedden fabriceren.

‘Eerst zaten we met zes man op de kamer. Maar toen kamp Oosterbeek opgeheven werd, kwamen die mensen ook naar Mooi-Land en werden over de kamers verdeeld. Dus hebben we een stelling in de kamer getimmerd waarop die andere mensen konden slapen.’

Na incidenten volgt bij wijze van straf overplaatsing naar kampen met een strenger regime, naar strafkampen dus.

Doorbreking hiërarchie

De NSDAP heeft wat huisvesting betreft geen boodschap aan standsverschillen, leeftijd of religie. Jong en oud, arm en rijk, student of vader van een groot gezin, ambtenaar of bouwvakker, industrieel of loonarbeider, katholiek, protestant of joods (!): in de kampen zit alles door elkaar en bijeen.

Tot in de Tweede Wereldoorlog kende de Nederlandse samenleving een tamelijk strikte sociaaleconomische hiërarchie en verzuiling op basis van levensbeschouwing. Het zou daarom interessant zijn om te onderzoeken of het verblijf van de mannen in de kampen na de bevrijding heeft bijgedragen aan de emancipatie van beroeps- en bevolkingsgroepen. Want ineens moeten al die mannen samenwerken en zijn ze gelijk. 

Het onderkomen van de arbeiders

Voor huisvesting van grote groepen arbeiders gebruikt de NSDAP ontruimde en leegstaande scholen, fabriekshallen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen, barakken en feestzalen. Ook verblijven er mannen in boerenschuren, al dan niet samen met het vee.

De gebouwen en slaapruimtes zijn doorgaans verduisterd en onverlicht, niet verwarmd en ongemeubileerd. Vaak hebben de panden oorlogsschade opgelopen. Daar maken kapotte ramen er een tochtige, vochtige en kille bedoening van. Verrassend genoeg laat de NSDAP wel ruiten plaatsen in Lager Polman en Lager V in Duiven.

Slaapgelegenheid en verblijfsruimte

Wanneer een groep Bussummers in oktober in Arnhem aankomt, hebben de Duitsers pas vijf dagen eerder het Diaconessenhuis ontruimd. Italiaanse en Franse krijgsgevangenen hebben de inboedel weggehaald en elders opgestapeld om ruimte vrij te maken voor de huisvesting van de mannen. Zelf wonen de krijgsgevangenen in bewaakte barakken achter het ziekenhuis.

In vrijwel alle kampen dient een laagje stro of ongedorste rogge als slaapgelegenheid. De mannen krijgen een ruimte aangewezen en moeten vaak zelf nog de strobalen aanslepen. Daarmee mogen zij het zichzelf ‘bequem’ maken. Dat stro en soms een soldatendeken van de Wehrmacht is alles wat de NSDAP aan hen uitreikt.

De mannen liggen erbij als koeien in een stal. Extra vervelend is dat de kampleiding vrijwel nooit vers stro verstrekt. Daarom wemelt het spoedig van de luizen en de vlooien. Bovendien verblijven de mannen dicht bijeen in volle kamers en zalen, terwijl er besmettelijke ziekten rondwaren, zoals tuberculose. De NSDAP doet weinig om deze verblijfsomstandigheden te verbeteren. Het is onduidelijk of de Duitsers daartoe geen mogelijkheid zien, of dat het hen werkelijk niets kan schelen.

De NSDAP bekommert zich evenmin om wat er op de kamers gebeurt. De mannen maken daarom zelf maar hun onderkomen een beetje leefbaar. Van lieverlee slepen zij allerlei benodigdheden naar hun verblijf, zoals kleine meubels, houtkachels, kooktoestellen en andere huisraad. Met planken maken ze schotten op de vloer of timmeren ze stapelbedden in elkaar. De combinatie van ligstro met sigaretten rokende mannen en open vuur is uiteraard zeer brandgevaarlijk.

In oproepen voor de Gemeinde-einsatz vragen de Duitsers mannen om ‘warme kleeding, stevige schoenen, dekens, bescherming tegen regen ’, bestek en een drinkbeker mee te brengen. Wie bij een razzia is opgepakt, heeft doorgaans geen adequate spullen bij zich. Maar in het Diaconessenhuis is nog veel huisraad aanwezig. Hier slepen de dwangarbeiders planken en huisraad zoals een broodtrommel, een vuilnisemmer, borden, glazen en wat men zoal tegenkomt naar de eigen kamer. De kampleiding beseft ook wel dat de gravers niet zonder spullen kunnen. Daarom ziet ze vaak oogluikend toe dat ze die in ontruimde gebieden uit leegstaande huizen bij elkaar scharrelen.

Sanitaire voorzieningen

Wat de Lagerführer betreft, is qua huisvesting het aanbod van een slaapplek op stro ruim voldoende. Dat mensen naar het toilet moeten en wekelijks in bad willen, is eigenlijk nogal lastig. Zijn er toevallig een paar toiletten met stromend water aanwezig in een gebouw: prima. Voor honderd man is dat genoeg. Zo niet, dan gaan de arbeiders maar buiten met hun derrière over een horizontale plank boven een gat hangen. Dat werkt ook, in Lager Scharnhorst Mooiland bijvoorbeeld.

Verder is wasgelegenheid langs de zuidelijke Veluwezoom in ruime mate aanwezig. Tenslotte stromen er overal beekjes met liefelijk klaterende watervalletjes. Daar kan de Westwalarbeiter zijn tanden poetsen. Ook tijdens die ijskoude winter van 1944. Dus moeten de dwangarbeiders in Oosterbeek bij -20 graden naar de waterval op landgoed Mariendaal toe.

Waterval met ijs op landgoed Mariëndaal

Personeelsadministratie

Het NIOD bewaart documenten uit de personeelsadministratie van de Westwalarbeiders van de NSDAP Einsatzstab Arnheim over de periode november 1944 – april 1945. Deze administratie omvat onder meer loonlijsten van Nederlandse dwangarbeiders en van Duitse leidinggevenden. Verder zijn er verzamelposten met verklaringen van uitbetaling en losse kwitanties voor uitbetaald loon aan individuele arbeiders. Daarnaast verschaffen facturen voor uiteenlopende soorten onkosten inzicht in de personeelszaken.

Tot besluit is er een instructie voor regelingen bij ziekte en bijzonder verlof bij geboorten en overlijdensgevallen. Deze regelingen en de omgang met zieke arbeiders komen in het eerstvolgende artikel op Graven in de Vuurlinie aan bod.

Een van de facturen in de administratie van de NSDAP Einsatzstab Arnheim komt van een drukkerij in Velp. Dit bedrijf heeft allerlei soorten invulformulieren gedrukt, waaronder Ausweise, ziek- en betermeldingskaarten, kwitanties en loonstaten. Interessant zijn daarnaast de posten: ‘200 stuks Kerst-programma’s in groen gedrukt’ en ’20 blocs boekhouding voor Verplegingskosten genummerd in triple’ ofwel voor administratie van kosten van voedselvoorziening. Eveneens wordt een flesje zwarte stempelinkt geleverd.

Nu zouden we kunnen denken dat die drukkerij wel erg soepel voor de bezetter werkt. Maar er schuilt een onopvallende verzetsdaad in de zegeltjes, die op de facturen zijn geplakt. De nota’s bevatten namelijk 10 cent zegelgeld en een verhoging van 2% ‘voor het wettelijk voorgeschreven Algemeen Sociaal Fonds’. Alles wordt keurig door de NSDAP voldaan. Daarbij ontgaat het de Duitsers kennelijk dat er een streng verboden Nederlands wapen met ‘Je maintiendrai’ als onderschrift op de zegeltjes staat.

10 cent zegeltje met Nederlands wapen en tekst ‘Je maintiendrai’

Beloning, emolumenten en gevarengeld

Uit de loonadministratie blijkt dat het loon doorgaans driemaal per maand wordt uitbetaald. Voor gewone werkdagen ontvangt een arbeider ƒ 5 per dag. Werk op zondag levert ƒ 7,50 op. Voor een volle werkweek bedraagt het totaal verdiende bedrag ƒ 37,50. Wie ziek is en niet werkt, krijgt doorgaans geen geld.

Per betalingsperiode stelt de administrateur van het‘Lohnbüro’ een getypte of handgeschreven lijst op. Per regel noteert hij het volgnummer en de naam van de arbeider. Daarna volgen kolommen voor elke dag in de week en een kolom met totaal te betalen bedrag per arbeider. In de dagkolommen geeft de administrateur met tekens aan wat de arbeider heeft gedaan. Een volle dag gewerkt, of een halve dag gewerkt, of helemaal niet gewerkt (zonder vermelding van reden).

Aantekeningen in de marge onthullen wel enkele bijzonderheden. Zoals: ziek thuisgebleven ‘Krank in Hause geblieben’, met toestemming afwezig ‘Urlaub’, vrijgelaten ‘Entlassen’, of weggelopen ‘Desertiert’. ‘Krankenhaus Velp’ komt ook op lijsten uit Arnhem voor.

In Arnhem noteert de Lager administrateur bovendien waar en onder welke omstandigheden een dwangarbeider heeft gewerkt. Hij maakt onderscheidt tussen werk ‘normal’, ‘normal Sontag’, ‘über Rijn’, en ‘über Rijn Sontag’. Aan de zuidkant of overzijde van de Rijn loopt een arbeider meer risico. Daarom heeft hij recht op gevarengeld voor werk op die locatie.

De betaalperiodelijsten worden voorzien van een begeleidende brief met vermelding van het totaalbedrag en bevestiging van dat dit onder toeziend oog van de Lagerführer en de kameroudsten correct is uitbetaald.

De dwangarbeiders hoeven niet te betalen voor hun voeding en huisvesting, of distributiebonnen in te leveren. Sterker, ze hebben officieel juist recht op extra brood-, vlees- en kaasbonnen, evenals een wekelijks bedrag van ƒ 3,50 om die levensmiddelen te kopen. In praktijk komt er echter weinig van die bonnen terecht. Wel krijgen ze eten uit de centrale keuken en een rantsoen van een variërend aantal sigaretten per dag.

‘’s Avonds kwam iemand van de O.T. (Organisation Todt, een soort burger-genie van het leger) in gezelschap van Herr Wolk. Deze Wolk was onze kampbaas en woonde in een burgerhuis tegenover de school. De O.T.er vertelde ons dat wij graafwerk zouden verrichten, om half acht elke dag aantreden, beloning ƒ 5,- per dag + 5 sigaretten. Wanneer er beschietingen, bombardementen of ander gevaar waren, zouden dat ƒ 10,- + 10 sigaretten worden. Intussen nam Herr Wolk de persoonsbewijzen in, wenste ons goede nacht en deed het licht uit. Op woensdag 1 november dus aantreden.’

Dit schrijft Nanne Nauta in Arnhem. In Groessen noteert Boekensteijn: ‘Ons werd gezegd voor we weggingen, dat we als we gevarengeld zouden krijgen, die is ƒ 10,00 per dag. (Liever niet.)’ Op zondagen werken de mannen in Groessen gewoonlijk tot 13 uur. Vanaf 1 december 1944 ontvangen zieke arbeiders ook een bedrag: ƒ 2,50 per dag.

Onder meer bij granaatbeschietingen krijgen de dwangarbeiders het extra gevarengeld. In Doorwerth leren de Rotterdammers al snel dat ze na een werkdag langs de Rijn met een stalen gezicht moeten beweren dat ze beschoten zijn.

Volgens Loe de Jong ontvangen zogenoemde voorarbeiders ƒ 7 per dag. Wellicht is dit waar een lijst met Duitse (en vermoedelijk enkele Poolse) ‘führungskräften’ of leidinggevenden op duidt. De ‘Löhnungsliste für die 3. Dekade November 1944. Vom 21 Nov. 44 bis 30 Nov. 44. 10 Tage pro Tag hfl 2 = hfl 20.‘ bevat 36 namen. Dit betreft kennelijk een aanvullende beloning op het normale salaris. Bij meerdere namen staat vermeld waar deze mannen hebben gewerkt: ‘Golfplatz’ (in Arnhem), Pannerden, Groessen en Duiven.

De administratie bevat veel ontvangstbewijzen van arbeiders die moeten tekenen voor het loon dat zij uitgekeerd krijgen. Een standaardtekst luidt als volgt. ‘Quittung. Der niederländische Westwallarbeiter [naam] vom Lager Vreedenhoff bestätigt hiermit, bei seiner heutigen Entlassung den ihm zustehenden Lohn über die Tage vom 21.11.44 bis 5.12.44 in Höhe von Fl. 80 (achtzig Gulden) richtig erhalten zu haben. Arnheim, den 7.12.1944. F.d.R. [Handtekening arbeider]’

Daarnaast bevat de loonadministratie verzamelposten met standaardformuleringen voor de uitbetaling van alle lonen samen. ‘Quittung. Der Lagerführer des Lagers Pannerden des Einsatzstabes der NSDAP in Arnheim bestätigt hiermit, das am heutigen Tage die niederländischen Westwallarbeiter des Lagers richtig gelöhnt wurden. Bezahlung erfolgte in Gegenwart und unter Kontrolle des Lagerführers und der jeweiligen Stubenältesten. Es wurden die Tage vom 17.11. bis einschließlich 30.11.1944 bezahlt, dies sind ƒ 75 pro Mann, wenn voll gearbeitet wurde.
Die Arbeiter wurden laut beigehender Liste entlöhnt und sind die Lohnempfänger in Pannerden hierin mit einem roten Kreuz gemerkt. Nach Erstellung der Liste wurde der nicht mit einem roten Kreuz versehene Teil der Arbeiter von Pannerden nach Arnhem verlegt und muss daher gesondert gelöhnt werden.
Der in Pannerden ausbezahlte Gesamtbetrag beläuft sich auf ƒ 7.455. Arnheim, den 9.Dezember 1944. Für die Richtigkeit: [handtekening] Stölzer. Der Lagerführer: [handtekening] J.A. Schmidt.’

Vertaling: Ontvangst. De kampleider van het kamp Pannerden van de taskforce van de NSDAP in Arnhem bevestigt hierbij dat de Nederlandse Westwalarbeiders in het kamp vandaag correct zijn betaald. De betaling vond plaats in aanwezigheid en onder toezicht van de kampleider en de respectievelijke kameroudsten. De dagen van 17 november tot en met 30-11-1944 betaald, dit is ƒ 75 per man als er volledig gewerkt is.
De arbeiders werden betaald volgens de bijgevoegde lijst en de loontrekkenden in Pannerden zijn gemarkeerd met een rood kruis. Nadat de lijst was opgesteld, is het deel van de arbeiders dat niet met een rood kruis is gemarkeerd, verplaatst van Pannerden naar Arnhem en moet daarom apart worden betaald.
Het totaal uitgekeerde bedrag in Pannerden bedraagt ƒ 7.455. Arnhem, 9 december 1944. Voor de juistheid [ondertekend met handtekening].

De genoemde loonbedragen komen redelijk overeen met wat een geschoolde arbeider in die tijd verdient. Met weinig mogelijkheden om in ontruimd gebied geld uit te geven, kunnen veel mannen een aardig bedrag sparen. Of ze sturen het naar hun zonder inkomsten achtergebleven familie.

Na de bevrijding klonk de klacht dat de arbeidsmarkt was verpest door de hoge lonen voor het graafwerk. Wat hierbij vergeten werd, is dat menige dwangarbeider ziek, verzwakt en getraumatiseerd thuis kwam. Veel ex-dwangarbeiders maakten eerst hun opgespaarde geld op, voordat ze weer op zoek gingen naar werk.

Centrale voedselvoorziening

Per kamp verschilt de voedselvoorziening in aard, kwaliteit en hoeveelheid. Over het algemeen is er een centrale keuken waar een keukenploeg voor honderden mannen het voedsel bereidt. De Duitse koks werken met assistentie van dwangarbeiders, die zich ’s morgens bij de werkverdeling kunnen opgeven voor deze keukendienst. Zij mogen urenlang aardappels schillen, groenten schoonmaken en klein snijden. Soms werken vrouwen uit de omgeving ook in de keuken mee.

De administratie van het Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden bevat onder meer een specifieke loonlijst van medewerkers in een Arnhemse centrale keuken. Dit zou kunnen gaan om de centrale keuken in de wijk Geitenkamp. Op de ‘Lohnliste Zentralküche vom 18.-30.11.44.’ staan namen van negen Nederlanders. Zij tekenen op 8 december 1944 voor ontvangst van de hen toekomende bedragen: ƒ 5 per gewerkte dag en ƒ 7,50 voor zondagen.

De warme maaltijd bestaat meestal uit soep van aardappels met kool of andere groenten. In de zomer en herfst worden deze benodigdheden door ploegjes dwangarbeiders van het land gehaald. Zo moet een groep Utrechtse mannen bieten rooien. Als ontbijt is er in het gunstigste geval brood met stukken worst of kaas, en koffie. Op de bouwlocaties krijgen de arbeiders eveneens koffie.

Lokale bakkers leveren brood en boeren leveren groenten, aardappels en vlees. Desnoods zorgen de Duitsers zelf via toewijzing dat bakkers genoeg meel krijgen. Vlees komt onder meer van dieren die tijdens beschietingen in de wei zijn gedood of verwond door kogels en granaatscherven. De rest wordt gewoon gevorderd. Waarschijnlijk zijn melk en eieren vooral bestemd voor de Duitsers zelf. Fruit zit zelden in het dieet van de dwangarbeiders, maar in de boomgaarden hangen genoeg appels.

Boeren moeten eveneens transporten verzorgen van levensmiddelen en brandstoffen voor de centrale kampkeukens van de NSDAP. Bijvoorbeeld wanneer grote voorraden goederen uit verlaten winkels en handelsmagazijnen in het ontruimde Arnhem worden opgehaald.

Contacten met de buitenwereld

Het woord ‘kamp’ wekt op zich de indruk dat het leven daar nogal afgezonderd is. De verblijfskampen in de ontruimde gebieden liggen inderdaad behoorlijk geïsoleerd. Maar er zijn ook kampen midden in het bewoonde Zevenaar. En het kampmanagement onderhoudt contacten met tal van partijen.

Naast werkrelaties met militairen van de Wehrmacht, de SS en medewerkers van de Duitse bouworganisatie OT, zijn er verschillende bewakingsdiensten aanwezig. De Lagerführer heeft overleg met de plaatselijke Ortskommandant en ontvangt bezoekende Duitse hoogwaardigheidsbekleders die willen weten hoe het met de voortgang staat.

Verder komen er allerlei Nederlanders over de vloer. Bijvoorbeeld leveranciers van goederen en boeren die verplicht zijn om diensten te verlenen. Leden van hulporganisaties zoals nooddiensten, predikanten, artsen en mensen van het Rode Kruis bezoeken het kamp eveneens. Zij maken zich in het algemeen sterk voor betere leefomstandigheden.

Specifiek regelen of leveren zij medische voorzieningen, post- en pakketdiensten, contacten met het thuisfront van de arbeiders, wasgelegenheid, kleding en andere benodigdheden, kerkelijke bijeenkomsten en soms een gezellig avondje ter ontspanning.

Ook plaatselijke burgemeesters en hogere ambtenaren komen weleens langs om belangen van de Nederlanders te behartigen. Wat bemiddelaars en hulpverleners kunnen bereiken, hangt van de grillen af van de Lagerführer. Hij moet overal mee instemmen en heeft het laatste woord.

Voor zover bekend, maken kampleiders nooit bezwaar tegen vrouwen die vanuit het Westen per fiets naar het kamp komen om hun partners of verwanten te zien. Daarnhouwer schrijft op 1 november 1944 over de gang van zaken en speciale voorziening in het Arnhemse Diaconessenhuis.

‘Iedere avond verschijnen nu vrouwen die hun mannen of verloofden komen opzoeken. Ze ontvangen hiertoe een pasje bij de Ortskommandantur. Zij slapen tussen de andere mannen in. Later heeft men een apart vrouwenzaaltje ingericht. ’s morgens vertrekken zij tegelijk met ons.’

Ongetwijfeld nemen deze vrouwen gelijk levensmiddelen mee terug voor de hongerende familie thuis.

Vrouwenwerk en hijsen Duitse vlag

Tot besluit geeft Sylvia Pesch, dan 16 jaar oud, een inkijkje in een vrij onbekend aspect van het kampleven. Vrouwen uit de omgeving worden namelijk eveneens aan het werk gezet. Zij verrichten meestal traditionele vrouwentaken, zoals assisteren in de keuken, schoonmaken en de was doen voor het Duitse personeel.

Pesch woont vlak buiten het spergebied van de Veluwezoom en haar opa verblijft als dwangarbeider in kamp Mooiland. Hij mag een dag per week met verlof naar huis. Als jonge vrouw ontvangt zij, vermoedelijk op basis van de Gemeinde-einsatz, enkele oproepen.

‘Ik moest me gaan melden bij een school [waarschijnlijk in Ede] en van daaruit werd ik met andere meisjes in een vrachtauto vervoerd en ook naar Mooiland gebracht. Het was daar hard werken, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat moest ik schrobben en poetsen. De vrouwen werkten binnen en de mannen gingen naar buiten om loopgraven te graven. We kregen bonnen, waarmee je je eten kon halen. […] Wij vrouwen mochten het gebouw niet verlaten. Alleen ’s morgens om 7 uur voor het appél. Dan stonden we allen buiten en verbitterd toe te kijken hoe de Duitse vlag werd gehesen.’

(Literatuur. Bron citaat huisvesting: Sijes, De Razzia van Rotterdam. Bron personeelsadministratie en ramen in Duiven: NIOD, Archief 088 Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden, inv nr 322 en 323. Bron Geitenkamp: Van Iddekinge. Bron citaat Kelder: Brieven E. Kelder. Bron stapelbed Mooiland: Leloux. Bron Diaconessenhuis: verslag Daarnhouwer. Bron betalingen Nauta en Boekensteijn: persoonlijke verslagen. Bron extra emolumenten: Loe de Jong, deel 10B, eerste deel, pag. 148. Bron vrouwenwerk in Mooiland: Gelders Archief 1557-1541, stukken ‘Zes dorpen in oorlog en verzet’, vraaggesprek met Sylvia Pesch. Zie bij Bronnen voor meer informatie over de geraadpleegde documenten en literatuur.)

(Afbeeldingen. Foto gezicht op de binnenplaats van het N.H. Diaconessen Ziekenhuis aan de Van Lawick van Pabststraat, Arnhem, Gelders Archief 1500 – 1225, circa 1935, fotograaf onbekend, Public Domain Mark 1.0 licentie.) Foto waterval op landgoed Mariëndaal: Karin van Veen, 2021. Foto zegel 10 cent: detail van een factuur voor drukwerk uit dossier NIOD 088 inv. nr. 323 NSDAP Einsatztab Arnheim, 1945, foto Karin van Veen.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.