Gezondheidszorg en ziekengeld voor de arbeiders

(Wat vooraf gaat. Eind september 1944 wordt de streek langs de Rijn in Gelderland frontgebied. Veel bewoners moeten vertrekken. Kort daarna brengen de Duitsers duizenden Nederlandse dwangarbeiders naar het spergebied toe. De mannen verblijven in kampen en moeten voor de bezetter een verdedigingslinie aanleggen: de Panther-Stellung.)

‘Wij konden ons niet wassen. Wij zijn 17 weken niet uit de kleren geweest.’ Henk Bast in kamp Johannahoeve, Oosterbeek.

‘Diarree had nagenoeg iedereen. Meerdere malen per nacht vaak met koorts daarbuiten soms 10 minuten lang in de koude met afgestroopte broek op die balk doorbrengen was niet ongewoon. Evengoed werden we geacht te werken.  […] Tweemaal per week kwam er vanuit Ede een Sanitäter (een Duitse paramedische hospitaal soldaat) die op zijn manier de patiënten onderzocht en, in geval hij het nodig achtte, naar Ede liet vervoeren met paard en wagen.’ Situatie in kamp kliniek Neder-Veluwe, Wolfheze.

Ziekmeldingen en ongevallen

De NSDAP beheert de kampen waarin Nederlandse dwangarbeiders verblijven en regelt eveneens alle personeelszaken. Daar hoort een beleid bij voor zieken en ongevallen, ook als het dwangarbeiders betreft. Alleen is de situatie er niet naar om coulant met ziekmeldingen om te gaan. De stellingbouw vindt onder barre omstandigheden plaats in een gevechtsgebied en de Duitsers kampen met een tekort aan mankracht. Ze kunnen geen arbeider missen.

Sowieso is het personeelsbestand nogal krakkemikkig. De jarenlange oorlog heeft zijn tol geëist van zowel de Duitse als de Nederlandse bevolking. Tussen de voornamelijk Duitse kampmedewerkers, bewakers en bouwopzichters lopen veel ouderen en afgekeurde mannen rond. Voor gevechtssituaties zijn ze inmiddels ongeschikt, maar bij de stellingbouw kunnen oorlogsinvaliden zich nog nuttig maken.

De lichamelijke conditie van de Nederlandse dwangarbeiders is evenmin optimaal. Veel opgepakte mannen zijn door voedselschaarste verzwakt. Desondanks worden ze na de razzia’s naar kampen gestuurd. Zelfs mannen met hartklachten, spataderen, epilepsie en longaandoeningen moeten mee. Pas wanneer zij echt niet meer op hun benen kunnen staan, laten de Duitsers hen vrij.

Ongezonde leef- en werksituatie

De Duitsers lijken te berusten in de ongezonde leef- en werksituatie. Aan het front vormen ziekten en verwondingen nu eenmaal een ongewenste, maar vanzelfsprekende bijkomstigheid. Ongemak, slaapgebrek, vervuiling en onregelmatig eten: dit alles hoort bij het soldatenleven. Daarom doen ze niet moeilijk over een paar luizen of vlooienbeten.

Werken in oorlogsgebied mag voor spitters gevaarlijk zijn; ook de Duitsers hebben met beschietingen te maken. Bovendien, zo redeneert de bezettingsmacht, worden de Nederlandse arbeiders netjes behandeld. Zeker vergeleken bij de Russische krijgsgevangenen die in Arnhem werken. Dus sluiten veel Lagerführer hun ogen voor de problemen in de kampen.

Vooral in het spergebied zijn de leefomstandigheden in de verblijfskampen onhygiënisch en ziekmakend. Stromend water, verwarming en adequate sanitaire voorzieningen ontbreken meestal. De arbeiders slapen dicht opeen in vervuilde ruimtes, zonder verschoning of wasgelegenheid. Geen wonder dat ze weldra last krijgen van infecties en huidaandoeningen. (Lees bijvoorbeeld over de gezondheidssituatie in het artikel Verblijfskampen van arbeiders in Zevenaar – deel II.)

De kampleiding doet weinig om de situatie te verbeteren. Maar ze moet wel actie ondernemen bij ernstige verwondingen of ziektegevallen. De Duitsers zijn trouwens zelf huiverig voor uitbraken van besmettelijke kwalen.

Het bezoek van de Sanitäter aan het kamp in Wolfheze duidt op een regeling voor basale ziekenzorg. Sommige grote kampen beschikken over een eigen arts of noodhospitaal. Daarnaast speelt het Nederlandse Rode Kruis een belangrijke rol bij de verpleging van de dwangarbeiders. Eveneens bekommeren plaatselijke bestuurders, bewoners en geestelijken zich om het lot van de arbeiders. Daarom verlenen diverse partijen medische assistentie, zowel binnen als buiten de kampen.

Bovendien moet het Duitse kampmanagement de regelgeving rond ziekte en arbeidsongeschiktheid opvolgen, ondanks de oorlogssituatie. In dit artikel kunt u lezen welke ziekten veel voorkomen, hoe de medische zorg is georganiseerd voor dwangarbeiders bij de verdedigingslinie en welke vormen van hulp zij krijgen in het spergebied.

Persoonlijke verzorging en hygiëne

De Duitse kampleiding beschouwt het niet als haar taak om toiletartikelen of waspoeder voor hun kleding aan dwangarbeiders te verstrekken. Evenmin krijgen de mannen reinigingsmiddelen om hun verblijfsruimte schoon te houden. Waar geen kraanwater is, wassen ze zich maar buiten in een beekje, met water uit een vijver of met gesmolten sneeuw.

Voor een deel schuilt hier onwil van het kampmanagement achter. Want als het de Duitsers zo uitkomt, halen ze wel goederen uit verlaten winkels en magazijnen in Arnhem. Daarom zouden ze best kunnen zorgen voor zeep en andere reinigingsmiddelen.

Toch, hoe onhygiënisch de kampen ook zijn, soms wordt het zelfs de Duitsers te gortig. Daarnhouwer beschrijft een voorval in het Arnhemse Diaconessenhuis, waar ruim 700 mannen in verschillende ruimtes verblijven. Er zijn te weinig toiletten in het gebouw voor dit grote aantal mensen. Op 19 november 1944 moet de voltallige bevolking van een grote zaal, 130 man, op de binnenplaats aantreden. De Lagerführer gaat voor de opgestelde mannen staan en houdt een donderpreek. Wat blijkt? De binnenplaats is ’s nachts gebruikt als privaat.

‘Weliswaar lag er een ontzaglijke vuilnishoop, maar tevens werd onze groenten er opgeslagen. Het gaf geen pas dat deze werden bevuild. Voor deze ene keer kreeg iedereen een bezem om de boel schoon te schrobben. Gebeurde het echter nog eens, dan zou men het met handen moeten doen. En wanneer iemand zou worden betrapt, dan zou hij het geval moeten … opeten!’

Kennelijk hebben sommige kampleiders toch enig besef van hygiëne.

Veelvoorkomende ziekten en aandoeningen

Uit meerdere bronnen blijkt welke ziekten en aandoeningen veelvuldig onder dwangarbeiders voorkomen. Ze schrijven er zelf uitgebreid over en lijsten met verstrekte medicijnen onderstrepen hun relaas. De administratie van de NSDAP Einsatztab Arnheim bevat een flinke verzamelnota van de Rode Kruis Apotheek in Velp. De totale kosten bedragen ƒ 65,40, het equivalent van twee weken arbeidersloon. Deze apotheek levert genees- en verbandmiddelen aan ‘arbeiders in dienst van Duitsche instanties’. Bedoeld worden Nederlandse dwangarbeiders die in vijf Arnhemse kampen verblijven. Namelijk: School 16, School 3, pensionaat Sacré Coeur, bejaardenhuis Vreedenhoff en de Oranjeschool.

Verzamelfactuur van de Rode Kruis Apotheek in Velp

Middelen op recept

De lijst voor kamp Vreedenhoff betreft een levering van niet nader gespecificeerde middelen. Deze medicijnen zijn eind november 1944 op recept verstrekt voor acht Nederlandse patiënten. Bij andere kampen staan de geneesmiddelen en verbandmiddelen specifiek vermeld In de periode 18 – 30 november 1944 vormt het medicijngebruik in School 16 de grootste kostenpost (totaal ƒ 25,85). Afgezien van geneesmiddelen op recept voor zes Nederlandse patiënten, bestaat deze specificatie uit een lange opsomming van geneesmiddelen ter verzachting en behandeling van uiteenlopende kwalen.

Huidklachten en luizen

Veel mannen in School 16 hebben last van verschillende huidklachten. De meeste arbeiders dragen schoenen die totaal ongeschikt zijn voor wandeltochten en zwaar grondwerk. Ook dragen ze dag en nacht dezelfde ongewassen kleren. Al gauw krijgen ze blaren, wondjes, ontstekingen en nauwelijks genezende voetzweren. Schurft of scabiës is een ander probleem. En niemand ontkomt aan de luizen in het ligstro.

Naast algemene ontsmettende middelen, levert de apotheek Bismuthpoeder (dermatol), ichtyolzalf (ontstekingsremmer, dit verzacht eczeem), zwavelzalf (voor huidaandoeningen), myrrhaetinctuur (voor wondjes en chronische zweren), boraxglycerine (mondontsteking), oogwater, en tanninepoeder (voor brandwondjes). Op de specificatie staat ook praecipitaatzalf ter behandeling van een ‘krentenbaard’. Dit is een besmettelijke aandoening. Mentholtalk tot besluit, moet verkoeling bieden bij huidaandoeningen.

Arnhem ligt binnen het ontruimde front- en spergebied, waar vrijwel alle Nederlandse autoriteiten zijn verdreven. Maar in bewoonde plaatsen kunnen de Lagerführer zich minder makkelijk onttrekken aan de kritische blik van lokale bestuurders en hulporganisaties. Medewerkers van het Zevenaarse Rode Kruis komen de arbeiders op straat tegen en beseffen in welke miserabele toestand zij verkeren. Dus stappen ze naar de SS-Kommandant in die stad. De hulpverleners moeten soebatten om voorzieningen te mogen treffen voor de dwangarbeiders. Uiteindelijk komt er een ontsmettingslokaal tegen luizen bij Café De Pauw en een tweede ontluizingsinstallatie in het badhuis ‘van Jansen’. Hier kunnen honderden arbeiders ook lekker warm baden.

Maag en darmklachten

Over hygiëne in de centrale keukens is weinig bekend. Maar het voorval op de binnenplaats van het Diaconessenhuis en de algehele vervuiling in de kampen doen het ergste vrezen. De arbeiders koken zelf nog een aanvullend potje op hun kamers. Dat eten is vaak half gaar. Sowieso kunnen ingrediënten niet worden gekoeld, terwijl boterhammen met worst soms dagenlang worden bewaard. Dus krijgt menigeen maag- en darmklachten, zoals diarree en dysenterie. De specificatie van School 16 bevat derhalve maagpoeders, belladonnapoeders (tegen misselijkheid, koorts en maagkrampen), zetpillen en tannalbinpoeders (te gebruiken bij stoelgangklachten). Julapium, tot slot, moet de eetlust weer opwekken.

Tyfus in de Turmac

Oktober 1944. ‘In het Turmacgebouw was het in het begin een grote smeerboel. Er was geen behoorlijke toiletafvoer en ook van buiten werd allerlei smurrie via de schoenzolen in het gebouw gevoerd. Al gauw zat alles onder de stront. Niemand keek vreemd op toen er tyfus uitbrak.’

Tyfus kan voorkomen als een darminfectie (buiktypus en paratypus). Waarschijnlijk is dat wat de mannen in Zevenaar krijgen. Evengoed lopen ze een serieus risico op besmetting met de huidziekte vlektypus. Vlektypus in epidemische vorm wordt veroorzaakt door een bacteriële infectie. Zonder behandeling kan vlektyfus dodelijk zijn. De bacterie wordt overgebracht via ontlasting van kleerluizen of door de beet van een luis. En de dwangarbeiders wemelen van de luizen. Men kan al besmet raken door inademing en door te krabben in open wondjes. Vlektypus gedijt dus prima in onhygiënische omstandigheden. Precies zoals die heersen in de overvolle kampen.

Ziekten door kou en vocht

In een enkel kamp verstrekt het management legerdekens aan de mannen. Maar dat is echt een uitzondering. Zonder warme en waterbestendige kleding zijn de dwangarbeiders vatbaar voor griep, reumatiek en longontsteking. Op de lijst van School 16 zien we de bijbehorende medicijnen. Bijvoorbeeld Superol-tabletten (bij keelpijn), rode hoestpoeders, kalmerende kamillen en opiumpoeders. Ook verstrekt het Rode Kruis de aangenaam geurende en antibacteriële ‘kajapoetiolie’ ter verzachting van spier-, gewrichts- en zenuwpijn. Hieraan is veel behoefte.

Andere besmettelijke ziekten

Begin januari 1945 verblijft Henk Apon in kamp Mooiland te Doorwerth, wanneer hij een aanval krijgt van geelzucht. Geelzucht kan voorkomen als symptoom van hepatitis A. ‘Dat hadden de moffen gelijk in de smiezen.’, vertelt hij. ‘Dat was een besmettelijke ziekte, dus ik moest zo gauw mogelijk weg.’ De bevelvoerder, kapitein Beckman, stuurt hem meteen met paard en wagen naar de barakken in Ede, waar Rode Kruis-medewerkers zieke dwangarbeiders verplegen.

De Duitsers moeten niets hebben van besmettelijke ziekten, zo blijkt uit diverse anekdotes. Ook in Zevenaar neemt men een drastisch besluit, zodra het risico op een uitbraak van darminfecties te groot wordt. Op 21 oktober 1944 worden alle in de Turmac-fabriek gelegerde dwangarbeiders ingeënt tegen dysenterie en cholera.

Verslechterde volksgezondheid

Het frontgebied langs de Rijn vormt per definitie een ongezonde omgeving. Beschietingen maken slachtoffers onder dwangarbeiders, Duitsers en de gewone bevolking. Daarbij is de matige tot slechte hygiëne inmiddels gemeengoed geworden, want zeep en schoonmaakartikelen zijn nauwelijks verkrijgbaar. Bovendien leven veel mensen in krappe ruimtes samen.

Vlak buiten het spergebied zit alles vol ontheemden die bij familie en andere gezinnen inwonen. Vier oorlogsjaren hebben iedereen verzwakt, inclusief de Duitse militairen die in wisselende samenstelling van hot naar her trekken. In zulke omstandigheden hebben virussen en bacteriën vrij spel.

Medio december 1944 komt bij inwoners van Velp tyfus voor, zelfs met dodelijke afloop. Prompt organiseert het Rode Kruis een vaccinatieprogramma, waar de bevolking dankbaar gebruik van maakt. Ook krijgen steeds meer mensen schurft. En vanwege de algemeen verslechterde weerstand, groeit het aantal patiënten met roodvonk en de ernstige infectieziekte difterie.

Ziekenhuizen, het Rode Kruis en overige medische hulp

Dwangarbeiders krijgen dus medische hulp en verpleging, ondanks schaarste, primitieve middelen en beperkte mogelijkheden. Die hulp gaat lang niet altijd uit van de kampleiding. Vaak blijkt dat plaatselijke afdelingen van het Rode Kruis, artsen, bestuurders en kerkelijke instanties hierop moeten aandringen. Regelmatig grijpen Nederlandse hulpverleners zelf in door concreet hulp en verzorging te bieden. De Duitsers laten ernstig zieke en zwaar gewonde arbeiders overbrengen naar ziekenhuizen buiten het front- en spergebied.

Zevenaar ligt op de rand van het spergebied. Hier richt het Rode Kruis ontsmettingslokalen in tegen luizen en het complex van de Turmac-fabriek bevat een noodhospitaal. Met Sinterklaas deelt het Rode Kruis hier pakketjes met praktische geschenken uit aan de dwangarbeiders. Die bevatten onder meer zeep, waar de mannen zeer blij mee zijn. Deze hulporganisatie verzorgt tevens het transport van zieke en voor het graafwerk afgekeurde arbeiders uit het frontgebied.

Een noodziekenhuis in barakken van het Rode Kruis in Nunspeet, 1944-1945.

Overigens bevat de NSDAP-administratie een rekening van een tandarts in Zevenaar. Vier Nederlandse patiënten uit Lager V in Duiven zijn in december 1944 op consult geweest. Het totaalbedrag ad ƒ 14 voor consulten en behandeling wordt netjes door de partij voldaan.

In Groessen verblijft een grote groep Rotterdamse dwangarbeiders in kampen. Hier gaat af en toe een dokter uit Zevenaar langs. Op vrijdag 8 december komt er zelfs een huisarts helemaal vanuit Rotterdam op bezoek. Vermoedelijk heeft één van zijn vaste patiënten hem overgehaald om zieke stadsgenoten in het frontgebied te behandelen.

Verder kunnen zieke en geblesseerde arbeiders terecht bij een EHBO-post in de Dorpstraat. De twee aanwezige EHBO-ers verlenen ook de hoognodige voetverzorging. Ernstig zieke mannen worden vanuit Groessen naar het hospitaal in de Turmac-fabriek gebracht. Ook gaan er dwangarbeiders naar Arnhem voor medisch onderzoek. Sommigen van hen hebben tuberculose.

Bij fysieke klachten kunnen de dwangarbeiders in Groessen (en elders) vrijstelling krijgen van zwaar werk. Dit hangt wel af van wie ze treffen, want de ene Duitser is coulanter dan de andere. Iemand met ernstige voetproblemen hoeft niet te graven, maar krijgt binnendienst. Dat kan een lichtere taak zijn in de centrale keuken.

Het Arnhemse Sint-Elisabethgasthuis staat tijdens de Slag middenin het strijdgewoel. Gedurende die roerige septemberdagen worden er zowel Nederlandse patiënten als Duitse en geallieerde militaire gewonden verpleegd. De militairen van beide vijanden liggen zelfs gebroederlijk naast elkaar op zaal. Naderhand kunnen in Arnhem werkende dwangarbeiders er terecht voor verpleging. Het ziekenhuis groeit al snel uit tot een soort vrijplaats in de ontruimde stad. Dat kunnen de Duitsers niet in hun gevechtszone tolereren. Eind oktober moet het gasthuis worden ontruimd en het medische personeel vertrekt met de patiënten. Daarna worden enkele honderden stellingwerkers in het leegstaande gebouw ondergebracht.

Een ander Arnhems ziekenhuis, het Diaconessenhuis, is eveneens halsoverkop ontruimd en vervolgens in gebruik als kamp voor dwangarbeiders. Wel blijft er een ruimte als ziekenkamer dienen. Wie iets mankeert, moet een ziekenbriefje halen bij de kampdokter en mag dan binnendienst verrichten. Maar niet iedereen krijgt de kans om rustig aan te doen. De Lagerführer hier verscheurt regelmatig de ziekenbriefjes, waarna de patiënt alsnog moet gaan spitten. Helaas wordt eind november 1944 een NSB-dokter in dit kamp gestationeerd. Die neemt het werk van zijn veel schappelijkere voorganger over.

In het Diaconessenhuis treffen de Duitsers adequate maatregelen wanneer de kasten van de huisapotheek leegraken. Een van dwangarbeiders blijkt apotheker te zijn en er is een grossier in geneesmiddelen aanwezig. Daarnhouwer meldt dat zij ‘vrijwel alle apotheken in de stad moesten leeghalen en het georganiseerde over de diverse kampen verdelen. Men kon het zo gek niet bedenken of het was te krijgen en voor ons natuurlijk alles gratis.’

Ook het Arnhemse verblijfskamp bejaardenhuis Vreedenhoff beschikt over een vaste dokter uit Velp. Die ‘keurt je af voor een muggenbeet.’ Dankzij deze dokter mogen wel honderd mannen binnen een tijdsbestek van drie dagen vertrekken. Helaas merkt de Kreisleiter dat deze arts erg royaal is met arbeidsongeschiktheidsverklaringen. De arts mag zelf zijn boeltje pakken en even later neemt de strengere NSB-arts van het Diaconessenhuis op 24 november 1944 zijn taken over.

Deze NSB’er bezoekt voortaan alle kampen in de stad. Het is twijfelachtig of hij dit werk alleen aankan, want Arnhem telt een kleine twintig kampen. Wel verleent een vrouwelijke arts (dokteres) geneeskundige hulp aan bewoners en dwangarbeiders in de Geitenkamp. Volgens Schermer, waarnemend NSB-burgemeester in 1944, komt daar later een tweede arts. Dit gebeurt op voorstel of op aandringen van de Inspecteur van de Volksgezondheid. Hieruit blijkt dat de Nederlandse autoriteiten nog steeds een oogje in het zeil houden. Ook al heeft een Duitse militaire Ortskommandant het in de stad voor het zeggen.

Duitse wegwijzers voor de gehavende Walburgiskerk in Arnhem, 1945.

Het Rode Kruis verleent eveneens geneeskundige hulp in de frontstad. De medewerkers maken er met beperkte middelen het beste van. Zo moet iemand verbandmateriaal uit leegstaande huizen verzamelen; waaronder bij een dokterspraktijk. Maar het is voor een goed doel. En het Rode Kruis brengt op 31 oktober 1944 zeep en kammen mee voor dwangarbeiders in het Diaconessenhuis. Daar zitten veel mannen zonder.

Wie niet in Arnhem terecht kan voor behandeling, wordt doorgestuurd naar het ziekenhuis in Velp. Deze plaats ligt net buiten het spergebied. Een dwangarbeider met difterie wordt vanuit Arnhem via Velp doorgestuurd naar Eerbeek. Ook ernstig verwonde dwangarbeiders komen in het ziekenhuis van Velp terecht. Zo worden er op 5 april 1945 zes door granaatscherven verwonde gravers binnengebracht.

Bij het kamp in de Johannahoeve (Oosterbeek) komt elke dag vanuit Ede een dokter langs op de fiets. In de winter moet hij door een flink pak sneeuw ploegen. Hij kan mensen onderzoeken en brengt medicijnen mee. Alleen bij kiespijn kan hij weinig beginnen. Bij gebrek aan een tandarts in het ontruimde spergebied verstrekt de reizende dokter verlofpasjes aan arbeiders, zodat zij de dichtstbijzijnde tandarts in Ede kunnen bezoeken.

Ook in Oosterbeek waren besmettelijke ziekten rond. Een van de dwangarbeiders op de Johannahoeve rekent op een makkelijk baantje als Sanitäter. Zodra hij echter de smerigheid van dysenteriepatiënten moet opruimen, meldt hij gauw voor een andere taak.

Een paar kilometer verderop, in Wolfheze, kampen de arbeiders in de kliniek Neder-Veluwe ook al met koorts, diarree en andere darmklachten. Hier komt twee maal per week vanuit Ede een Duitse hospitaal soldaat langs; dit is vermoedelijk degene die ook naar Oosterbeek gaat.

Ede ligt even buiten het spergebied en fungeert voor de kampen langs de zuidelijke Veluwezoom als medische hoofdbestemming. Er is een noodziekenhuis met personeel van het Rode Kruis in Ede. Ernstig zieke of gewonde patiënten worden er vanuit Oosterbeek, Wolfheze, Doorwerth en Wageningen naartoe vervoerd met paard en wagen.

Ook de Wageningse Landbouw Hogeschool fungeert als kamp voor de Westwalarbeiders langs de Rijn. Op een gegeven moment gaat er het gerucht rond dat de Duitsers soms mensen op doktersadvies vrijlaten. A.D. v.d. Loo uit Rotterdam Charlois schrijft het volgende hierover.

‘Er was behalve een Belgische OT-arts, ook een gevangen Nederlandse arts. Met een biljet (dat ik nog in bezit heb) waarop stond wat we zogenaamd mankeerden, ging ik op ziekentransport naar Ede. […] In Ede in een school zijn wij door personen, die van de ondergrondse bleken te zijn, op transport gesteld.’

Zo gaat hij inderdaad zijn vrijheid tegemoet.

Regeling rond ziekte en ongevallen

‘Zij die ziek waren, ontvingen geen eten en dat terwijl er elke dag brood en ander eten overbleef dat op de mestvaalt werd gegooid.’ Situatie in een verblijfskamp voor dwangarbeiders in de Liemers.

Verrassend genoeg bestaat er sociale wetgeving rond ziekte en ongevallen voor dwangarbeiders tijdens de aanleg van de Panther-Stellung. En dat in een gevechtsgebied. Zo heeft de Einsatzstab Arnheim van het Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden een mededeling over deze wetgeving opgesteld en (waarschijnlijk) verspreid onder alle Lagerführer in de regio. Het document is getekend door Stölzer van het ‘Lohnbüro’. Stölzer is met zekerheid in november en december 1944 in Arnhem werkzaam; en mogelijk langer.

De in het Nederlands opgestelde mededeling geeft goed inzicht in de administratieve procedure die de kampleiding moet volgen. Daarom volgt hierna de integrale tekst van de regeling, plus een instructie voor het invullen van een ziekengeldbetalingsformulier.

Mededeeling betreffende de sociale wetgeving

‘Voor den Nederlandsche Westwallarbeider werkzaam bij den Einsatztab der NSDAP komen alle verplichtingen voortvloeiende uit de sociale wetgeving (betaling van premies, plakken van zegels en dergelijke) gedurende den arbeidsinzet te vervallen. De arbeider en zijn gezin zijn tegen ziekte door ons verzekerd bij de Deutschen Krankenkasse in Groningen die het risico van loon uitbetaling bij ziekte en ongeval van den arbeider alsmede de kosten voor medische behandeling draagt.
Hoe te handelen in geval van ziekte? In geval van ziekte wendt men zich met een bij den Lagerführer verkrijgbare witte “Krankenmeldung” die nauwkeurig ingevuld en door den Lagerführer getekend moet zijn, tot den voor het Läger aangewezen geneesheer. Wanneer deze den patiënt langer dan drie dagen voor den arbeid ongeschikt acht, ontvangt de zieke een groene “Krankengeldanweisung”. Deze wordt door den Lagerführer aan het einde der betalingsperiode aan het loonbureau afgeleverd en ontvangt de rechthebbende bij de drie keer per maand plaatsvindende loon uitbetaling het hem toekomende ziektegeld. Het ziektegeld voor een arbeider die met ziekteverlof voor bepaalde tijd naar huis mag gaan, wordt uitsluitend door het loonbureau der NSDAP uitbetaald. Hij kan zijn ziektegeld na zijn terugkomst in Arnhem aan het loonbureau op een groene Krankengeldanweisung in ontvangst nemen.
Acht de geneesheer het nodig dat de patiënt zich onder behandeling van een specialist stelt, dan ontvangt men een groene Krankenausweis waarmede men zich naar den aangewezen specialist begeeft.
Bij ziekte van gezinsleden van arbeiders die niet in een Lager zijn ondergebracht maar na afloop van het werk naar huis gaan, vrage men op het loonbureau van de NSDAP een gelijke groene Kankenausweis op grond waarvan de huisarts het gezinslid voor rekening der Deutsche Krankenkasse een zal behandelen.
Voor gezinsleden der arbeiders die in Lagers zijn ondergebracht is den Krankenausweis bij den burgemeester van de woonplaats te verkrijgen.
Bij een ongeval van den arbeider handelt men op dezelfde wijze doch let men erop dat op de Krankengeldanweisung vermeld wordt dat het een ongeval betreft. Bij ongevallen van ernstige aard moet bovendien een ongeval een melding door den Lagerführer bij het loonbureau ingediend worden.
Bij een ongeval op het werk overkomen, komen de drie wachtdagen niet in aanmerking, maar wordt het ziektegeld vanaf den eersten dag betaald. Bevallingen en sterfgevallen melde men onmiddellijk aan het loonbureau onder overlegging van een geboortebewijs of overlijdensacte. Het loonbureau zorgt dan voor spoedige uitbetaling der hiervoor in aanmerking komende uitkering van respectievelijk ƒ 55 of ƒ 50 aan de(n) betrokkene.
De ziekenfondsen zijn verplicht, arbeiders die afgekeurd zijn of om andere redenen uit de arbeidsinzet zijn ontslagen, direct weer op te nemen zonder wachttijd.
Einsatzstab der N.S.D.A.P. Arnheim, Lohnbüro. i.A. [getekend] Stölzer.’

In bovenstaande regeling wordt de Deutsche Krankenkasse für die Niederlande vermeld. Dit was een verzekering voor ziektekosten voor het personeel van Duitse instellingen in Nederland. Ook hield de Krankenkasse zich bezig met de ziekteverzekering van grensgangers en Nederlanders die in Duitsland werkzaam waren, bijvoorbeeld in het kader van de Arbeidsinzet. (Toelichting van Oorlogsbronnen.nl.)

Op de achterzijde van het formulier ‘Krankengeldanweisung’ voor een dwangarbeider uit Velp die in Lager XI (het Arnhemse Openluchtmuseum) verblijft en in april 1945 een maagzweer krijgt, staat een toelichting:

Achterzijde Krankengeldanweisung met toelichting Krankengeldzahlung

Vertaling: Uittreksel uit de regels over ziektegeld.
Het ziekengeld is voor jongeren tot 16 jaar ƒ 1,50; voor enkele [ongehuwden] ƒ 3; voor echtparen en hun sociale gelijken ƒ 4 dagelijks.
Het wordt uitbetaald vanaf de vierde dag van arbeidsongeschiktheid tot een duur van 26 weken. Bij arbeidsongevallen begint het ziekengeld op de dag van het ongeval. Het ziekengeld wordt in principe uitbetaald door de verantwoordelijke loondiensten van de afdelingshoofden, en alleen op attesten van arbeidsongeschiktheid die ofwel zijn afgegeven door de Duitse spoedeisende hulparts of door hem worden erkend door middel van medeondertekening.
In ziekenhuisgevallen betaalt de Deutsche Krankenkasse a) huistoeslag voor de duur van de ziekenhuiszorg, b) in geval van verdere arbeidsongeschiktheid na ziekenhuiszorg, ook ziektegeld rechtstreeks aan de patiënten of de families. Vanaf de dag van opname in het ziekenhuis wordt er door de salarisadministratie niets uitbetaald. Behandeling in het gebied wordt niet als ziekenhuisbehandeling beschouwd.

Alle regelingen en pogingen tot hulpverlening ten spijt, zijn veel dwangarbeiders er behoorlijk slecht aan toe na een maandenlange werkperiode in het frontgebied.

(Bronnen. Citaten Henk Bast en Henk Apon, zie pagina interviews. Citaat over kliniek Neder-Veluwe: Blik Omhoog. Citaten Daarnhouwer over het Diaconessenhuis en Vreedenhoff: persoonlijk verslag. Bron verzamelnota Rode Kruis, mededeling sociale wetgeving, ziekmeldingsformulier en dergelijke uit de administratie van Einsatztab Arnheim: NIOD, Archief 088, Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden, inv nr 322. Bron vaccinaties en Turmac in Zevenaar: W. de Kam in Zevenaar 50 jaar bevrijd, deel II. Bron informatie Groessen: verslag Boekensteijn. Bron ziekten in Velp: Velp en de oorlog. Bron artsen in wijk Geitenkamp: Gelders Archief 1557-234, procesdossier met getuigenis A. Schermer. Citaat over verlofbriefje: verslag A.D. v.d. Loo. Zie Bronnen voor de geraadpleegde documenten en literatuur.)

(Afbeeldingen. Bron rekening apotheek Velp en toelichting formulier ziekengeld: NIOD, Archief 088, Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden, inv nr 322, foto Karin van Veen. Bron foto noodziekenhuis: Gelders Archief 1560-2192 Noodziekenhuis Rode Kruis barakken Nunspeet, december 1944 – juli 1945, fotograaf onbekend, Public Domain Mark 1.0 licentie. Bron foto richtingaanwijzers: uitsnede van Gelders Archief 1584-510, Duitse richtingaanwijzers Ortskommandantur en Kriegslazarett 1/686 voor de St. Walburgiskerk in Arnhem, 1945, foto Nico Kramer, CC-BY-4.0 licentie.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.