Groessen 1944: OT-Verblijfskampen voor arbeiders

Na een zeer enerverende week komt de heer Boekensteijn op zondag 19 november 1944 in Groessen aan. Hij verkeert in gezelschap van een flink aantal Rotterdamse stadsgenoten. Deze mannen zijn op 10 en 11 november opgepakt tijdens de grootste razzia in de havenstad.

Na de razzia hebben de Duitsers deze dwangarbeiders naar Kamp Amersfoort gevoerd, waarna een deel per trein naar Arnhem is doorgereisd. Sommige mannen hebben het hele 150 kilometer lange traject lopend in de stromende regen afgelegd. Vanuit Arnhem worden de dwangarbeiders verdeeld over verschillende locaties van de verdedigingslinie. Zoals Groessen, waar Boekensteijn in de RK-meisjesschool belandt. ‘Dorpstraat G181, zaal 2’, noteert hij over zijn nieuwe adres.

Ze zijn moe, vuil en uit hun doen. Er zitten jongens tussen van 16, 17 jaar oud; anderen zijn huisvader van een groot gezin. Arm en rijk, geschoold en ongeschoold, ziek en gezond. Alles zit door elkaar en bijeen. Die ochtend hebben ze vanuit Arnhem weer 3,5 uur moeten lopen en lang niet iedereen heeft wandelschoenen aan.

Vers stro ligt al in de klaslokalen. Dat heeft Henk Goris uit Loo kort daarvoor naar de Groessense verblijfskampen gebracht. Nu kijken de Rotterdammers maar eens rond waar ze zijn. ‘Verschillende ruiten hier stuk, ook van onze school.’ Dat komt door inslagen van Engelse granaten, zo wordt hen verteld.

Het Sint-Antoniusgesticht aan de Dorpstraat in Groessen waarin de katholieke meisjesschool zat.

Behalve de RK-meisjesschool in het gebouwencomplex van het Sint-Antoniusgesticht, dienen ook de RK-jongensschool, Café Blo(e)mberg en Café Holland als onderkomens voor de dwangarbeiders. Deze gebouwen liggen allemaal aan de Dorpstraat. Mogelijk verblijven er ook oudere Duitse bewakers en OT-medewerkers in Groessen. Ze zijn daar onder meer voor de aanleg van de Panther-Stellung.

Dwangarbeiders uit Utrecht arriveren rond 8 oktober 1944 in het dorp en zij vertrekken na ruim twee maanden op 17 december 1944. De groep uit Rotterdam komt op 19 november 1944 aan. Daarvan wordt een deel op 19 december 1944 naar Arnhem overgeplaatst. Die dag blijft een ander deel van de dwangarbeiders in Groessen achter. In november verblijven er totaal circa 380 dwangarbeiders in Groessen en in december zijn er 500 mannen aanwezig uit Rotterdam.

De op 19 november aangekomen Rotterdammers hebben in Arnhem al geleerd wat ze moeten doen. ‘We hebben eerst het lokaal in orde gebracht. Kapstokken, kastjes, levensmiddelen, als flessen rabarber gesleept. […] In deze school zijn ongeveer 120 man ondergebracht. In onze kamer zijn 24 man.’ Deze mannen zijn bekenden van elkaar uit dezelfde wijken in Rotterdam. Als kamerleider wijzen ze een gereformeerde geloofsgenoot aan.

Groessen in de jaren 1939 – 1944

Groessen is een lintdorp even ten noorden van de Rijn, gelegen tussen Duiven en Zevenaar in. Het dorpje telt in 1944 circa 2.000 bewoners. De bodem van het omliggende land bestaat uit vruchtbare grond van zavel en klei. Groenten en fruit groeien er overvloedig, zowel in kassen als in de volle grond. In 1924 verschijnt hier de eerste druivenserre. Op het land staan onder meer uien, wortels, prei, knolselderij, sla, andijvie en rabarber. De kassen hangen vol druiven, meloenen, perziken en tomaten.

Tijdens de oorlog dwingt de bezetter boeren om hun weidegrond op te offeren en te ‘scheuren’. De Duitse Wehrmacht heeft namelijk behoefte aan tarwe, aardappelen, rogge en plantaardige oliën. Een groot deel van de varkensstapel en de kippen verdwijnt, maar de zuivelproductie blijft gewenst. Die laatste oorlogswinter lijden alle landbouwers, fruittelers en veehouders onder roof, plundering en verwoesting van hun bedrijven. Daar zijn de flessen rabarber, die de hongerige dwangarbeiders in verlaten huizen ‘organiseren’, nog niets bij.

September 1944

Begin september is ook bij Groessen het graafwerk voor de Duitse verdedigingslinies gestart. Enkele duizenden Nederlanders en een aantal oudere Duitse burgers zijn opgeroepen voor de Arbeitseinsatz. Naar verluid, werken er aanvankelijk anti-Hitler arbeiders uit Hannover, maar die maken beslist geen haast. Mannen uit diverse dorpen langs de Veluwezoom pendelen dagelijks naar Arnhem en worden per trein tot even voorbij Duiven gebracht. Ten oosten van Groessen moeten ze kilometerslange loopgraven en een tankgracht aanleggen. Deze verdedigingswerken lopen vanaf de Rijn bij de Pannerdense Waard via Zevenaar naar het noorden toe. En langs de dijken van de Oude Rijnstrangen is de Panther-Stellung gepland.

Mannen uit Groessen lopen eveneens aldoor risico dat zij voor dwangarbeid worden gepakt. Op een zondagochtend in september 1944 zitten de bewoners in de Sint-Andreaskerk. Het is die dag onrustig buiten. Kapelaan Weterman staat aan het altaar en leidt de mis. Intussen gaat pastoor Schoemaker stilletjes bij alle banken langs. Fluisterend waarschuwt hij de aanwezige mannen: ‘Buiten staan er SS’ers op de loer.’ Ze willen de arbeiders tussen de kerkgangers meenemen. Maar de mannen kruipen in de kelder onder de sacristie en houden zich daar schuil. Dergelijke kerkrazzia’s komen in het najaar van 1944 veelvuldig voor.

Zondag 17 september wordt een zeer memorabele dag, ook voor de arbeiders. Terwijl zij in het open veld werken aan de tankgracht, zien ze in de lucht twaalf jagers naderen. Ze verwachten dat de piloten het op een trein gemunt hebben, aangezien die voortdurend door RAF-vliegtuigen worden beschoten. En inderdaad: een geparkeerde trein met volle olietanks bij Zevenaar krijgt de volle laag. Daarna komen werkelijk hele zwermen geallieerde toestellen en bommenwerpers over vliegen. Allemaal richting Duitsland. Totdat ze na een half uurtje terugkeren en dan recht op Arnhem af gaan voor het openingsbombardement.

‘De mensen van de Todt hadden zich inmiddels min of meer onherkenbaar gemaakt door onder andere de hakenkruisbanden van hun uniformen af te halen. Ze liepen als waakhonden zenuwachtig om ons heen.’, zo vertelt de heer Drijver uit Oosterbeek, die als graver bij Groessen in de tankgracht staat. ‘Gewerkt werd er niet meer. Iedereen stond te kijken hoe in de verte Arnhem in brand stond.’ Het bombardement duurt ongeveer anderhalf uur. Daarna is er voor de Duitse bewakers geen houden meer aan en vlucht iedereen weg en terug naar huis.

De Slag om Arnhem is begonnen. Twee dagen later vallen Duitse jagers boven Groessens grondgebied Amerikaanse vliegtuigen aan. Een jager stort neer en de piloot landt aan zijn parachute in de Pannerdense Waard. Toevallig zijn twee jonge Groessenaren in de buurt om koeien te melken. Maar vier Duitse soldaten gaan op zoek naar de piloot, er wordt geschoten en de militairen zien de Groessenaren voor ‘spionnen’ aan. Na een hardhandige ondervraging worden de broers van 17 en 23 jaar zonder pardon gefusilleerd. Het is een triest voorbeeld van de gewelddadige willekeur die in dat laatste bezettingsjaar bijna normaal wordt.

De Slag om Arnhem en het daaropvolgende Betuwe-offensief brengen een invasie aan Duitse militairen naar het kleine Groessen. Tijdens de gevechten fungeert de streek als doorreisgebied en rustplaats voor soldaten. Daarbij nemen zij zolang hun intrek bij gezinnen thuis en in allerlei andere gebouwen.

Zo verblijven manschappen van de 10.SS-Panzer-Division Frundsberg enige tijd in de katholieke jongensschool. Op 4 oktober 1944 zijn zij plotseling verdwenen; het moderne schoolgebouw achterlatend als een totaal verruïneerde zwijnenstal. De Amsterdamse journalist Wahlen logeert een half jaar in Groessen. Hij beschrijft welk tafereel hij samen met de hoofdmeester aantreft.

‘Schoolplaten werden van de muren gerukt en met een bajonet doorstoken. Een kruisbeeld ligt in een hoek tussen het stro, vertrapt. Verschillende banken zijn stuk geslagen, zelfs ter plaatse half verbrand. De schoolborden staan, deels bevuild, vol Duitse plaatsnamen. De kasten werden opengebroken en geheel en al leeggehaald. Schrijfboeken van de kinderen zijn volgeklad met een begonnen brief, wat onzinnige opmerkingen of vuile potloodtekeningen.’

Dit valt nog onder gangbaar vandalisme en we weten wie het gedaan hebben. Op de deuren hangen namelijk nog de dienstorders, compleet met ondertekening: ‘1.SS-Pz. Gren. Rgt. 21 (gp).’ Maar Hitlers elitekorps houdt ook regelmatig grote drankgelagen en in dronken staat gaan deze militairen helemaal tekeer. Wahlen vervolgt: ‘Overal liggen smerig ondergoed, stinkende sokken, tussen handgranaten en dozen munitie, verscheurde exemplaren van het Evangelisches Feldgesangbuch, […].’ Enzovoort.

Het schoolpand zelf is eveneens flink onder handen genomen. ‘De wc’s zijn allen volkomen onbruikbaar gemaakt: tot boven aan de wanden met menselijke uitwerpselen besmeurd!’ Uit de meeste kozijnen steken gebroken stukken glas. Verder is de voordeur kapot en ‘van de bergplaatsen zijn de deuren eenvoudig opgestookt.’ Dit gebouw wordt een maand later dus een van de Groessense verblijfskampen voor Rotterdamse dwangarbeiders.

November 1944

Terwijl de Rotterdamse dwangarbeiders het frontgebied in de Liemers betreden, wordt het gehavende dorp juist geëvacueerd. Het stapsgewijs uitdijende spergebied is al maanden niet veilig meer, want Duitse troepen hebben zich in de omgeving genesteld. Helaas ligt Groessen precies in de vuurlinie. En het front in de Betuwe is vlakbij. In de avond kunnen de dorpelingen zo zien waar de Engelsen zitten, want dan zijn hun schijnwerpers goed zichtbaar.

Dorpstraat in Groessen

Op 18 en 19 november 1944 moeten de inwoners verplicht vertrekken. Ze reizen op allerlei karren en wagens richting Doetinchem en Varsseveld. Een klein aantal bewoners blijft achter. Kapelaan Weterman en zijn broer houden nog een oogje op de verlaten gebouwen en woningen van de geloofsgemeenschap.

De huisvesting van de Nederlandse dwangarbeiders

Boekensteijn verblijft met circa 120 mannen in de RK-meisjesschool. Deze school is in die tijd onderdeel van het Sint-Antoniusgesticht, dat schuin tegenover de Sint-Andreaskerk staat. Het complex omvat verder een zusterhuis, een bewaarschool en een huis voor oude vrouwen en mannen. Totaal verblijven er circa 380 dwangarbeiders uit Utrecht en Rotterdam in diverse panden langs de Dorpsstraat in Groessen. Ze bivakkeren in de RK-meisjesschool, de RK-jongensschool, Café Blomberg en in Café Holland.

Over het algemeen zijn de voorzieningen in dergelijke verblijfskampen uitermate basaal. Per definitie zijn de gebouwen ongeschikt voor bewoning en ze raken allemaal overbevolkt. In Kampmanagement en personeelszaken leest u welke zaken de NSDAP voor de arbeiders regelt. Of nalaat te regelen.

Op 5 december 1944 blijft Boekensteijn een dagje ‘thuis’, zoals hij zijn onderkomen noemt. Dan neemt hij de tijd voor een uitvoerige beschrijving van zijn slaapzaal en het gebouwencomplex. Buiten op het terrein van het Sint-Antoniusgesticht is een tuin met lage heggetjes aangelegd. Achterin staat een hoge grot met een Maria-beeld en rechts van de tuin is een grote speelplaats. De RK-meisjesschool grenst aan het klooster met een kapel. Het schooltje telt vier lokalen die ‘zaal 1’, ‘zaal 2’, enzovoort worden genoemd.

Het lokaal heeft twee grote ramen, die in opdracht van de Duitsers volledig zijn verduisterd en dichtgemaakt. Er zit nog altijd gebroken glas in de sponningen. De mannen slapen naast elkaar op stro dat op de grond is uitgestrooid. Ze liggen langs de wanden tussen muren en planken. Per lokaal wijzen de mannen naar vast gebruik in Duitse kampen een kamerleider aan.

De Rotterdammers gaan gelijk aan de slag met de inrichting van hun slaapplek en gezamenlijke ruimte. Een bezemkast fungeert als bergruimte voor de spullen van zes mannen. Verder staan er nog enkele grote en kleine kasten. Boven alle slaapplaatsen van stro hangen kapstokken. Aan de muur hangt een klok; aan een kast een grote spiegel, en overal in het schoolgebouw hangen kruisen, dus ook in het lokaal.

Bij het raam staat een fornuis, waarop de dwangarbeiders zelf etenswaren kunnen bereiden. In het midden staat een lange smalle tafel met twee lage banken en vier krukjes waar ze samen kunnen zitten.

Petroleumlampen zorgen voor een beetje licht. Boekensteijn: ‘Olie gemengd met benzine, slechte kwaliteit.’ Er is geen gas of elektriciteit meer in het gebouw, wat soms best lastig is: ‘M’n bretels zijn zoek, misschien in het stroo. Zal morgen zoeken bij daglicht.’

Een groot deel van de inventaris hebben de mannen ‘georganiseerd’. Ofwel: uit huizen in de omgeving gesleept. Ze sluiten vriendschap met lotgenoten en vormen teams of groepjes die spullen en levensmiddelen verzamelen en onderling ruilen of verdelen. De een is kapper van beroep en de ander kleermaker. Voedsel, toiletartikelen en gevonden artikelen fungeren als betaalmiddelen. Voor een paar sigaretten, een stuk zeep of wat eten repareert de kleermaker een broek en knipt de kapper iemands haar. Wie handig is, kan zijn leven als dwangarbeider op die manier wat veraangenamen. Maar in praktijk is deze handelswijze vooral een overlevingsstrategie.

Eten wat de pot schaft

In hun stad hebben de Rotterdammers al een periode van toenemende voedselschaarste meegemaakt. Nu verrichten ze als dwangarbeiders energieverslindend sjouw- en graafwerk. Dat maakt hongerig. Maar echt royaal zijn de door Duitsers verstrekte porties niet. Daarom vertellen bijna alle dwangarbeiders in geuren en kleuren wat ze van dag tot dag eten.

In Groessen runt een kok met helpers de centrale keuken voor de verblijfskampen. Op 5 december wordt een zaaltje achter Café Holland als kantine ingericht (dankzij bemiddeling van de plaatselijke kapelaan), waar de mannen voortaan kunnen eten. Dit zaaltje is eveneens de plek waar ze hun ‘salaris’ ontvangen en waar allerlei vieringen worden georganiseerd.

Appels in overvloed, boomgaard even buiten Groessen

Vrijwel direct beginnen veel mannen ingrediënten te verzamelen voor aanvullende maaltijden. Heel even wanen ze zich in een paradijselijk luilekkerland. Het voedsel ligt werkelijk overal voor het grijpen. De verlaten boomgaarden hangen vol fruit en de aardappelvelden zijn nog niet gerooid. In huizen van vertrokken mensen treffen de dwangarbeiders hele wintervoorraden aan levensmiddelen aan. Kelders vol weckpotten met ingemaakte groenten en flessen met rabarber en vruchtensap. Kisten met aardappels en manden met fruit. En de jackpot bestaat uit heerlijke verse worsten en stukken gepekeld spek.

Bij toerbeurt kunnen de arbeiders ’s ochtends vroeg in de centrale keuken koffie halen voor hun eigen zaal. Het ontbijt dat de Duitsers verstrekken, bestaat doorgaans uit brood of ‘Kuch’, al dan niet met boter, kaas en/of een stuk worst.

Een greep uit het soms nogal wonderlijk samengestelde menu van Boekensteijn biedt een prachtig inkijkje in de kost van een dwangarbeider die in de Groessense meisjesschool verblijft:

  • 21 November. ‘Soep van het huis met vlees erin. Het was niet veel. Hebben zelf aardappelen geschild en een fles rabarber opgewarmd.’ Die buit delen ze met drie man op de kamer. Daarnaast zijn er voldoende goudrenetten in huis. Andere mannen hebben konijnen gevangen die de volgende dag worden gebraden.
  • 22 November. De mannen graven bij een dijk. Het regent voortdurend en om 10:00 uur mogen ze van de Duitse bewaker schuilen in een boerderij. ‘Hebben daar aardappelen gekookt (in schil).’
    In hun schoollokaal hebben de mannen onderling een zaalkok aangesteld en een fornuis ‘opgedaan’. De kok bereidt gestampte aardappelen met doperwten. Iemand heeft bovendien een stuk spek ‘georganiseerd’. Dit wordt uitgebakken en in de maaltijd verwerkt. Weckpeertjes toe.
    Uit de centrale keuken krijgen ze nog een diep bord vol erwtensoep met vlees. En ’s avonds eten de arbeiders georganiseerde kersen op sap toe.
  • 23 November. Onderweg aardappelen, appels, enz. georganiseerd. De hele dag door eten de mannen appels; naar schatting wel anderhalve kilo. In de avond staan er gestampte spruitjes met varkensvlees en weckvet op het menu. Uit de centrale keuken krijgen ze slechts ‘vloddersoep’ met wat vlees en weckperen toe. Aanvulling van het rantsoen is dus wel raadzaam.
  • 24 November. Het ontbijt bestaat uit roggepap in water met appelmoes en stroop. Dat smaakt goed. Die ochtend zijn de arbeiders in een boerderij waar de begeleidende Duitser weer in de schil gekookte aardappelen uitdeelt. ’s Avonds opnieuw vloddersoep van het huis. Ze koken zelf gestampte aardappelen met geweckte snijbonen en witte bonen, plus geweckt varkensvlees met vet.
  • 25 November. Deze dag blijft Boekensteijn thuis. Hij heeft de vorige dag op klompen gelopen (geruild voor een ‘corsi’-sigaret) en nu doen zijn voeten zeer. Daarom werkt hij een dagje in de centrale keuken, niet ver van de RK-meisjesschool. Hij moet boerenkool plukken voor de soep en daarnaast voor het avondeten spruitjes schoonmaken.
  • 26 November. Uit de centrale keuken komt soep, bestaande uit aardappelen, boerenkool, witte kool, spruiten, prei, peer en vlees. ‘Gisteren was de soep aangebrand. Om die smaak weg te werken hebben ze er Spaanse peper door gedaan. Was vreselijk heet. Niet te eten, de helft ging terug.’ ’s Avonds erwtensoep met boerenkool en veel vlees. (Mogelijk van tijdens beschietingen geraakt en daarna geslacht vee.) Zelf gekookt: rode kool met goudrenetten en gestampte aardappelen met varkensvlees. Na het eten nog geweckte peren toe en ’s avonds kersen op sap.
  • 28 November. Wanneer het werken in de striemende regen op de modderige dijk onmogelijk wordt, mogen de arbeiders vlakbij schuilen in een boerderij. Daar vinden ze een mud tarwe, waarvan ze veertig kilo meenemen. De centrale keuken heeft zuurkoolsoep met grote stukken aardappelen op het menu. Dat vullen ze zelf aan met geweckte prinsessenbonen gestampt met aardappelen. In de avond bakt de kok van de kamer nog pannenkoeken van de tarwe (in de keuken gemalen in een grote koffiemolen) met schijfjes appel erop. Een lekker dikke pannenkoek de man. Smaakte best.
  • 29 November. Enkele dwangarbeiders moeten van de Duitsers aardappelen uit een put halen. (Die werden zo in de winter bewaard.) Er vlak naast is een granaattrechter. ’s-Middags gebakken uien met aardappelen gestampt. Uit de keuken komt soep met van alles erin (snijbonen, aardappelen en wat vlees). Aansluitend eten de mannen aardappelen gestampt met wecksnijbonen uit eigen voorraad.
  • 30 November. Tijdens een vermoeiende dag doen de mannen zich flink tegoed aan appels en peren in een verlaten boomgaard. ‘Zonde van al het fruit en de groente welke nog op het land staan. Bij het stroo, dat we ’s morgens gehaald hebben, zaten nog ongedorste schoven. Het is wel erg als we denken aan de steden, waar nu zeer zeker honger geleden wordt.’
  • 2 December. Naast het normale rantsoen, krijgen ze als extraatje een half brood, boter en worst, plus een stuk volvette oude kaas.

Via briefcontact met hun verwanten in Rotterdam vernemen de mannen in december hoe slecht de voedselsituatie in hun thuisstad is. Daar zou men een moord doen voor het samengestelde menu van de dwangarbeiders. Maar de mannen moeten letterlijk eten als dijkwerkers om het graafwerk vol te houden en later zullen ze elk beetje extra lichaamsvet nog hard nodig hebben.

Eind november 1944 ziet Dinie Coenders in Zevenaar regelmatig karren langsrijden. Die halen koren op voor de Duitsers in Groessen. Het is niet helemaal duidelijk welke situatie zij hiermee beschrijft. Haalt men in Zevenaar opgeslagen koren op voor de Duitsers in Groessen, of wordt koren van de akkers/uit voorraadschuren in Groessen gehaald voor de Duitsers in Zevenaar? Hoe dan ook: ‘Als er niet gauw een eind aan komt, komt er nog hongersnood.’, vreest zij.

Surrogaat-sigaretten en shag

Rookwaren behoren in 1944 tot de absoluut onmisbare basisbehoeften van menige man. Sigaretten zijn dan ook een vast component in de beloning van dwangarbeiders. Er worden rantsoenen genoemd van één, twee, drie, en vijf tot tien sigaretten per dag. Die vijf tot tien sigaretten zijn ‘gevarengeld’ voor werk in het directe zicht en schootsveld van de vijand. Zelfs het Rode Kruis geeft pakjes shag weg. De bovengenoemde ‘corsi’-sigaretten zijn feitelijk ‘Consi’-sigaretten. Deze naam komt van ‘concentratiesigaretten’, ofwel gedeeltelijk surrogaat-sigaretten. Die worden onder meer geproduceerd door de Turmac-fabriek in Zevenaar.

Pakje Consi-sigaretten

Oorspronkelijk verwerkt de fabriek van de Turkish Macedonian Tobacco Company kwaliteitstabak uit Turkije en Macedonië. In de Tweede Wereldoorlog gaat de sigaret op de bon. Bij gebrek aan toptabak, gaan er tabaksbladeren plus bramen- en beukenbladeren in. Die wordt worden door kleine boeren en tuinders lokaal geteeld. De Consi-sigaret had weinig smaak, maar voor de verstokte roker was die nog altijd beter dan niets.

Wasgelegenheid en hygiëne

In Groessen kunnen de dwangarbeiders zich buiten wassen bij de grote pomp vlak tegenover de ingang van het St Antoniusgesticht. Daarmee boffen ze. In veel andere kampen binnen het spergebied ligt de watervoorziening stil. Behalve de pomp bij het gesticht, staat er verderop in het dorp nog een waterpomp.

Die winter van 1944/’45 is echter zeer streng en warmte is een luxe. Wanneer een man zijn geplaagde voeten eens lekker kan wassen in een teiltje met warm water, is dat meteen een vermelding waard.

En dan de luizen. Er is geen ontkomen aan. Na twee weken geeft de Duitse Lagerführer van de meisjesschool in Groessen opdracht om de boel eens goed schoon te maken. Dit is echt zeer uitzonderlijk, want alle andere verblijfskampen langs de Rijn raken ernstig vervuild. De mannen halen het oude stro weg en kunnen ergens vers stro krijgen om op te slapen. In vrijwel alle andere kampen liggen de mannen op stro dat in geen maanden wordt ververst. (Weetje: Nederlandse soldaten sliepen tot de jaren zestig op zakken gevuld met stro.)

Kleding en schoeisel

Weinig mannen brengen voor het werk geschikte kleding en schoenen mee. Sommigen zijn tijdens de razzia zo van hun kantoorstoel geplukt en weggevoerd. Uit nood beginnen ze al gauw spullen te verzamelen uit verlaten huizen. Gelukkig kunnen ze brieven sturen naar hun familie en vrienden, onder meer via het Rode Kruis. Menigeen vraagt zijn verwanten om hulp. Na verloop van tijd komen er dan ook pakketjes binnen met kleding en andere artikelen.

Daarnaast regelt het Rode Kruis de hoognodige kleding voor de mannen. Ook kunnen zij hun ondergoed nummeren en laten wassen. Kousen slijten snel en die stoppen ze zelf. Schoenen worden geruild voor een sigaret, waarna de nieuwe eigenaar er een paar gummi-hakken onder spijkert. Blijkbaar beschikken de mannen over gereedschap en naaigerei. De kleermaker in de zaal geeft een paar wanten weg en rekent daarbij vast op wederkerige hulp wanneer hij zelf iets nodig heeft.

Vertier, zielenzorg en ontspanning

Voor vertier tijdens de schaarse vrije uurtjes zorgen de mannen zelf. Na gedane arbeid rusten ze meestal uit op hun kamer, of ze gaan uit ‘organiseren’. Iemand brengt een harmonium (orgeltje) naar de slaapzaal en een ander vindt een gitaar. Daarmee kunnen de Rotterdammers gezamenlijk muziek maken en liedjes zingen, zoals ‘Sarie Marijs’. De teksten staan in een boek dat ze hebben gevonden: ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’. Verder hebben ze zelf ook nog een wat minder braaf repertoire. Daarnaast is er het bordspel ‘Mens erger je niet’ om een spelletje te spelen.

Belangrijke feestdagen worden gevierd, hoewel vrijwel iedereen dan liever bij zijn naasten is. Vooraf knappen de mannen zichzelf op. Baarden van drie weken gaan eraf en ze wassen zich eens goed. Dan is het op woensdagavond 6 december 1944 zover: Sinterklaasviering in het zaaltje achter Café Holland. Boekensteijn schrijft er uitgebreid over in zijn verslag:

Sinterklaasavond

‘Een pianist speelde alvast bij voorbaat sinterklaasversjes en marsen. We kregen bij het brood, enz. ook elk 1 sigaret, dus ook de zieken. Voor de kapelaan binnen kwam hebben we gecollecteerd voor de armen van deze gemeente en het bracht op: 181,80. Even later kwam er een geïmproviseerde Sinterklaas en Zwarte Piet. Daarna onder applaus de kapelaan.’

Opvallend is de collecte die de arbeiders in Groessen onderling houden voor de armen binnen de gemeente. De mannen moeten wel tot 9 december op hun loon wachten, maar ze hebben nog geld op zak. En ondanks hun eigen situatie, denken ze aan mensen die het nog moeilijker hebben. Misschien wil een aantal van hen zo iets teruggeven voor de ‘georganiseerde’ levensmiddelen en spullen.

De kapelaan heeft met de koks en zes anderen in de keuken voor een paar honderd man een verrassing klaargemaakt. ‘Het was een grote rogge boterham en een gewone boterham beide besmeerd met boter waartussen schijfjes gekookt spek (best brood). Het was geschonken door het Rode Kruis van Didam. Verder ontvingen zeer velen die het dringend nodig hadden lange onderbroeken, hemden, borstrokken, zakdoeken, handdoeken en hele overalls. Alles van vooroorlogs kwaliteit. De kapelaans hebben zeer hard gewerkt voor dit alles. Alle hulde! De avond werd doorgebracht met mopjes en versjes zingen. Toen we weggingen speelde de pianist het Wilhelmus.’

De stemming zit er goed in, maar de gedachten van alle mannen gaan uit naar hun familie. Hoe zal het met hen gaan? Hebben ze thuis genoeg te eten? Hoe houden zij zich onder alle moeilijke omstandigheden?

Dorpstraat Groessen met voormalig café Holland op de voorgrond

Religieuze samenkomsten

Aanvankelijk worden er in Groessen voor de dwangarbeiders kerkelijke bijeenkomsten georganiseerd. In het zaaltje achter Café Holland verzorgt een kapelaan ‘s zondags bijeenkomsten. Voor de protestanten komt hulppredikant Ds. Bartels uit Zevenaar regelmatig langs. Hij heeft op zondag 3 december 1944 voor vijftig à zestig toehoorders Lucas 18 vers 1 t/m 8 uitgekozen. Bij het licht van enige kaarsjes en een petroleumlamp zingen ze samen Psalm. 42 vers 1 en 5, Psalm. 68 vers 10 en Gezang 73. De Here is wel rechtvaardig doch we moeten wachten op Zijn tijd. Voor de dwangarbeiders zijn het troostende woorden. Op woensdag 13 december verzorgt een geëvacueerd predikant uit Westervoort de kerkdienst. En wanneer de omgeving definitief tot verboden terrein wordt verklaard, probeert ouderling Gerritsen in contact te blijven met de gravers.

Contact met de buitenwereld en het thuisfront

Voor de gravers is de postverbinding met het thuisfront uiterst belangrijk. En het doet hen goed om ‘gewone’ mensen van buiten het kamp te ontmoeten. Met enige regelmaat komen er medewerkers van het Rode Kruis langs, evenals de kapelaan. Zij proberen de mannen te helpen met hun post en benodigdheden. De kapelaan zorgt voor extra ondergoed en het Rode Kruis verstrekt pakjes shag. (Drie pakjes, te verdelen onder 19 man.) Op diverse dagen in december brengt het Rode Kruis uit Didam heerlijk roggebrood: ‘een 10 ponder. De man een dikke snee, ongeveer 12 cm in doorsnee’.

Bovendien bezoeken vrouwen uit het westen hun verwanten in Groessen. Onder meer op 29 november. Dan komt er een meisje uit Rotterdam voor familiebezoek. Ze heeft het hele eind gefietst. Op de terugrit neemt zij van dwangarbeiders post mee en zelf heeft ze weer eens goed kunnen eten.

Telkens als de dwangarbeiders horen dat er iemand naar een plaats buiten het frontgebied zal reizen, gaat dit als een lopend vuurtje in de Groessense cafés en scholen rond. Veel mannen schrijven dan gauw wat brieven voor het thuisfront. Op 10 december zijn twee chauffeurs van de Wehrmacht uit Rotterdam bereid om post mee te nemen. In ruil voor een ‘georganiseerde’ trapnaaimachine willen de chauffeurs ook nog petroleum leveren voor de lamp. Sommige Duitse bewakers hebben een soort bijbaan als pendelende post- en pakketdienst.

Een van de NSDAP-verblijfskampen: de katholieke jongensschool in Groessen

Tijdens de uitvoering van hun taken, spreken de dwangarbeiders soms mensen van buiten het spergebied. Bijvoorbeeld wanneer ze groenten van de velden moeten halen en bewoners ontmoeten die zelf even vanuit Varsseveld terugkeren om thuis in Duiven en Groessen voedsel op te halen. Via dergelijke contacten vernemen de dwangarbeiders allerlei geruchten en nieuws over het verloop van de oorlog. Bovendien kunnen mensen uit de omgeving informatie verstrekken over vluchtroutes en onderduikmogelijkheden. Het klinkt aantrekkelijk. Menigeen berekent zijn kansen. Maar evengoed zijn de arbeiders bevreesd voor de consequenties indien worden zij gesnapt.

Gezondheid en medische zorg

Het zware werk en de ongezonde leefomstandigheden in het frontgebied eisen hun tol. Daarom is het niet zo verwonderlijk dat arbeiders steeds meer kwalen krijgen of zelfs ernstig verwond raken. Het artikel Gezondheidszorg en ziekengeld gaat nader in op de verleende medische zorg.

In Groessen komt zo nu en dan een dokter uit Zevenaar langs. Sterker: op 8 december komt er zelfs helemaal vanuit Rotterdam een dokter naar Groessen om zijn stadsgenoten te bezoeken. Vermoedelijk heeft één van de Rotterdammers hem gevraagd om zieke wijkgenoten te behandelen.
Wie ziek of geblesseerd is, kan terecht bij twee mensen van een EHBO-post tegenover de RK-meisjesschool in de Dorpstraat. Zij voorzien onder meer in een dringende behoefte aan voetverzorging. Ook mogen er mannen voor medisch onderzoek naar Arnhem gaan. Sommigen hebben TBC.

Ernstig zieken worden naar de Turmac-fabriek in Zevenaar gebracht, waar een ruimte is ingericht als noodhospitaal. Maar dat is duidelijk niet de bedoeling, want dit is hoe de SS in Zevenaar op hun komst reageert. ‘De SS-man zei dat we daar niet hoorden, maar in Arnhem.’ Hieruit blijkt hoe strikt de NSDAP Einsatztabes hun werkterreinen gescheiden houden. De dwangarbeiders in Groessen vallen namelijk onder Einsatztab Arnheim.

Bij fysieke klachten krijgen dwangarbeiders met een doktersbriefje vrijstelling van zware arbeid. Boekensteijn heeft op 2 december een wondje aan zijn voet en hij hoopt natuurlijk op vrijstelling. Maar helaas. Zijn voetwondje is ‘te klein’ om een briefje te krijgen voor binnendienst. Bovendien hebben ongeveer veertig mannen zich die dag ziek gemeld en een nog groter aantal blijft van de ochtendtelling weg. De Lagerführer is hun streken helemaal zat en dreigt met ernstige represailles.

Veiligheid en (oorlogs)geweld

Aanvankelijk beschrijven veel dwangarbeiders wat ze van gevechtshandelingen merken. Die maken dan nog indruk. ‘In de verte dreunt het geschut en horen we de granaten inslaan.’, noteert Boekensteijn op 20 november 1944. Op 25 november is er ergens in de omgeving een bombardement en op 26 november komen er steeds vliegtuigen over.

Maar hoe langer ze in frontgebied verblijven, hoe meer het krijgsgeweld went. Al vrij snel noteren ze alleen nog bijzondere voorvallen, zoals wanneer vliegtuigen de omgeving bombarderen of wanneer een toestel neerstort. In de nacht van 3 op 4 december laten de Engelsen zich behoorlijk gelden. Tot ver in de ochtend horen de mannen het gedreun van granaatinslagen, waarvan één vlak bij het schooltje komt. Het Duitse afweergeschut in de buurt gaat flink tekeer, maar de Engelsen laten zich niet onbetuigd: ‘Het geschut dreunt weer en de granaten slaan in aan deze kant van de Rijn.’

Soms moeten de mannen tijdens het werk dekking zoeken, zoals op 11 december 1944. ‘Om een uur of 12 vlogen 6 Engelse jagers heel laag over het veld, alles kroop weg of viel plat op het veld; 1 in het water. Schoten ook even, zij zagen denkelijk iets op of bij de dijk. …’ Mogelijk gebeurt dat per vergissing. De geallieerden beschieten de dwangarbeiders meestal niet opzettelijk, maar ze hebben het wel gemunt op de verdedigingslinie en de Duitsers.

En passant zijn de dwangarbeiders getuige van troepenverplaatsingen en confrontaties tussen de Duitsers en de geallieerden. Op donderdag 14 december 1944 zien ze bij Groessen hoe Duitse troepen zich in auto’s met kanonnen en tankwagens terugtrekken, waarschijnlijk richting Emmerich. Die dag is er veel controle in de omgeving en moeten de dwangarbeiders in colonne naar hun onderkomen teruglopen. Ze vragen zich al hoopvol af of de Engelsen in aantocht zijn. Op vrijdag zijn vooral de Engelsen erg actief met vliegtuigen en artillerievuur. En ook op zaterdagochtend klinkt nog hevig artillerie- en mitrailleurvuur.

Op 16 december 1944 start het Duitse V1-offensief, ter ondersteuning van de tegenaanval in de Ardenne. Dat is in grote delen van Oost-Nederland merkbaar. Er vallen vooral slachtoffers doordat heel wat V1’ met hun angstaanjagende geluid onderweg voortijdig neerstorten.

De Duitsers in de verblijfskampen en op de bouwlocaties zijn trouwens bijzonder trots op hun nieuwste geavanceerde wapens. Alleen zijn zelfs zij daarover niet goed geïnformeerd. Op 17 december is hun stemming optimistisch. De Duitsers beweren dat de ‘V3’ in werking is gesteld. ‘Binnen enkele weken zijn de Engelsen Europa uit.’ Boekensteijn weet niet wat hij ervan moet maken: ‘Wat het voor een soort wapen is weet ik niet, wel horen we sinds een paar dagen zo nu en dan een herrie alsof een tankwagen over een straatweg rijdt. …’

Opmerkelijk genoeg vermeldt hij geen enkel voorval van geweldpleging door bewakers in Groessen. De Duitsers daar lijken de mannen redelijk goed te behandelen. Ook wanneer de Lagerführer kwaad wordt, blijft het vooral bij dreigementen. Zoals op 2 december, wanneer er veel ziekmeldingen en afwezigen zijn. Die avond moeten verschillende kamerleiders bij hem op het matje komen. Het is hem ernst.

Als de mannen het nog eens in hun hoofd halen om weg te blijven, zo dreigt de Lagerführer, dan worden er tien neergeknald, onverschillig wie. En als dat niet helpt, dan worden 120 mannen de Rijn over gestuurd. Naar het gebied vlak achter het front in de Betuwe, waar ze prikkeldraad-versperringen mogen gaan maken. Daar is het werk nog gevaarlijker en onaangenamer dan in de blubberige Groessense uiterwaard (waar ze trouwens ook beschoten worden).

Misschien is hij zelf wars van geweld en voelt hij zich vooral miserabel en machteloos. Het overwicht van de terrein verliezende Duitsers over de grote groep dwangarbeiders is al precair genoeg.

Dagindeling en betaaldag

Gewoonlijk moeten de mannen eerst aantreden voor de dagelijkse telling. Het tijdstip voor het appel varieert in Groessen van 07:00 uur tot 08:30 uur. Een halfuur of een uur later wandelen ze naar hun werklocaties. Voor vertrek delen de Duitsers een paar sigaretten (‘corsi-sigaretten’) aan de arbeiders uit. Er is een ochtendpauze rond 09:30 uur, een lunchpauze van een half uur en een korte pauze halverwege de middag. Rond 16:30 uur zit de werkdag er meestal wel op en gaan de mannen terug naar hun kamp. De werkweek telt zeven dagen; zondags tot 13:00 uur.

De verblijfskampen in Groessen vallen onder NSDAP Einsatztab Arnheim. Het archief van het Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden bevat loonstaten met een verzamelrekening van uitbetaalde bedragen. Van Groessen zijn er staten over de periode 17 november – 23 december 1944. Van 17 november tot 9 december 1944 staan er 326 Nederlandse mannen op de personeelslijst en in de periode 10 – 23 december 199 mannen.

Quittung. Es wird hiermit bestätigt, das die niederländischen Westwallarbeiter des Lagers in Groessen heute für die Arbeidstage vom 17.Nov.44 bis 9.Dezember 44 richtig gelöhnt wurden. Bezahlung erfolgte für 3 Sonntage a Fl. 7.50 = Fl 22.50. 20 Wochentage a Fl 5 = Fl 100. Dies sind per Mann Fl 122.50 wenn voll gearbeitet wurde. Ab 1.Dez.44 wird an Kranke nur Fl 2.50 per Tag ausbezahlt. Die Löhnung erfolgte auf Grund der beigehenden Liste unter Kontrolle des Lagerführers und der Stubenältesten und wurden Fl 38.400 insgesamt ausbezahlt. Arnheim, den 9.Dezember 1944 für die Richtigkeit: [handtekening] Stölzer. Der Lagerführer: [handtekening] Hoell.

Ook bevat het archief een kwitantie voor een (aanvullende) militaire beloning voor zeven Duitse leidinggevenden in de Groessense verblijfskampen. Hier zien we de Lagerführer weer terug. Over de periode 9 november tot en met 10 december 1944 ontvangen de heren Krepke, Hoell en Schulz ƒ 2 per dag extra. En over de periode 13 november 1944 tot en met 10 december krijgen de heren Schmidt, Raβner, Salewski en Krause eveneens ƒ 2 bonus per dag. Deze kwitantie is in Arnhem opgesteld en uitbetaald op 12 december 1944.

Het werk voor de Panther-Stellung

De in Groessen gehuisveste dwangarbeiders leggen in november voornamelijk loopgraven aan bij een dijk. Verder graven zij daar schuttersputten en mitrailleurstellingen uit. Ze staan onder bevel van de SA (‘bruinhemden’) en moeten per man vier meter loopgraaf per dag opleveren. In werkelijkheid varieert de te graven lengte.

Eind november hindert het stijgende rivierwater het graafwerk steeds meer. Bij sommige loopgraven zakken de wanden in, waarna die moeten worden verstevigd. Op andere plekken worden de schuttersputten en loopgraven maar weer dichtgemaakt.

Afgezien hiervan, verrichten de mannen allerlei hand- en spandiensten in opdracht van de Duitsers. In Groessen helpen ze met het verzamelen van voedsel op akkers, in boomgaarden, uit huizen en boerderijen. Daarnaast krijgen ze keukendienst (groenten wassen en snijden, aardappels schillen). Voor een niet nader genoemde klus moeten ze ook naar Westervoort toe.

Het eerstvolgende artikel op Graven in de vuurlinie gaat over de werkzaamheden voor de Panther-Stellung ter hoogte van Groessen langs de Rijn.

Vluchten of blijven? Vertrek of wisseling van werkploegen

Met het naderen van de feestdagen stijgt de onrust onder de dwangarbeiders in Groessen. Zouden ze nog voor de kerst terug naar huis mogen? Of moeten ze hier toch langer blijven?

In die tijd zoemen er allerlei geruchten rond. De zuster bij de dokterspost zegt dat iedereen naar Arnhem vertrekt. De kok beweert dat er ook mannen in Groessen blijven, maar dat degenen die naar Arnhem gaan, langer moeten doorwerken als dwangarbeider. Dat zou voor straf zijn, omdat enkele mannen ertussenuit geknepen zijn.

Op 17 december horen de Rotterdammers dat de Utrechtenaren in Groessen zijn afgelost. Die groep heeft hier dan tien weken gewerkt. Volgens zeggen is dat inclusief strafweken. Zou de Lagerführer nu alsnog zijn gram gaan halen, omdat verschillende Rotterdammers zijn verdwenen? Dan zouden juist de blijvers het moeten bezuren.

Boekensteijn heeft trouwens informatie over de beste vluchtroute. Die loopt als volgt: ‘Zevenaar langs NSB langs spoorweg over. Voor Zevenaar 4-sprong richting Doesburg, voor Doesburg naar Bingerden, naar Giesbeek, boerderij vragen roeiboot over varen naar de Steeg, Hoenderloo, Otterloo, Barneveld. Ede niet nemen (gevorderde Rotterdammers).’ Maar hij twijfelt en de nieuwste ontwikkelingen halen hem in.

Maandag 18 december 1944 wordt een spannende dag voor alle mannen in de katholieke meisjesschool. Om half acht moeten ze per kamer gegroepeerd aantreden. De Lagerführer houdt een controle. Dan blijkt dat er een man uit zaal twee ontbreekt, terwijl ze steeds porties eten voor hem hebben gekregen.

De Lagerführer beschuldigt de kamergenoten ervan dat zij aan zijn verdwijning hebben meegewerkt. Hij dreigt dat ze geen sigaretten meer krijgen, dat de groep uit elkaar wordt gehaald, en dat ze te maken krijgen met ‘de SS’. Achteraf gezien, klinken de eerste twee opties best aandoenlijk. Welke consequenties de laatste optie heeft, blijft onduidelijk. Maar bij een vroegere kwestie werd gedreigd met executie en verderop langs de Rijn werd dat zeker uitgevoerd.

Later die dag mogen de arbeiders nog gauw roggebrood ophalen bij de broer van de kapelaan in de pastorie. Gelukkig maar, want van de Duitsers krijgen ze een smerig en glibberig maal. Ook heeft de kapelaan tegoedbonnen voor enkele mannen. Daarmee kunnen zij in de pastorie benodigdheden halen die op hun verlanglijst staan. Klompsokken, bijvoorbeeld.

Dan komt het bericht dat de meeste mannen naar Arnhem gaan. De hele kamer is in rep en roer en slaat aan het inpakken. Inmiddels beschikken de Rotterdammers wel over meer en betere spullen dan ze bij aankomst hadden.

Op 19 december 1944 is het zo ver: om half acht opstellen. De Rotterdammers in de kamer van Boekensteijn krijgen twintig minuten om hun boeltje te pakken. Dat wordt een uur. ‘Al het georganiseerde moesten we achterlaten. De meesten namen wel het een en ander mee.’ Voor alle duidelijkheid: tussen de georganiseerde spullen zat zonder twijfel ook ordinaire roofbuit, zoals ‘gevonden’ sieraden, horloges en zilveren bestek. Dat hadden de arbeiders echt niet nodig op hun nieuwe adres. Maar het laat zich raden wat er vervolgens met de in de verblijfskampen achtergelaten spullen is gebeurd.

In elk geval houdt de Lagerführer nog een zeer kort toespraakje en hij wenst zijn dwangarbeiders een gezonde terugkeer in hun Heimat toe. Dan gaan ze eindelijk op pad, in colonne. ‘Daar ging de stoet bepakt en gezakt met kinderwagentjes, fietsen en karretjes. We gingen van Groessen uit over Westervoort de brug over de IJssel over naar Arnhem […]’ Hun nieuwe onderkomen in de Sint-Jansschool blijkt aanmerkelijk gerieflijker dan de RK-meisjesschool: ‘Centrale verwarming, electrisch licht, stromend water, behoorlijke WC’s.’ Dat was er in Groessen allemaal niet.

Deze overplaatsing is terug te vinden in de loonadministratie van de Einsatzstab Arnheim.

‘Quittung. Der Lagerführer des Lagers “St. Jan-Schule” des Einsatzstabes der NSDAP in Arnheim bestätigt hiermit, das seine niederländischen Westwallarbeiter am 3.Jan.1945 richtig gelöhnt wurden. Ein Teil der Arbeiter hatte vom 10.12.44 bis einschl. 19.12.44 noch in Groessen gearbeitet und für diese Zeit Lohn zu beanspruchen. Laut anliegender Liste Nr. I wurde hierfür ein Betrag von ƒ 4.362.50 ausbezahlt. Für in Arnheim während der Tage vom 19.bis einschl.31.12.44 geleistete Arbeit wurde laut Liste Nr.II ein Betrag von ƒ 7.627.50 ausbezahlt, so das insgesamt eine Summe von ƒ 12.507.50 ausbezahlt wurde und hiermit Quittung geleistet wird. Arnheim, den 3.Jan.1945.‘

Bij Boekensteijn staat op de lijst van de ‘Einsatsztab der NSDAP in Arnheim’: ‘Lohnliste Lager Groessen, jetzt St. Jansschule Arnheim, 10-19 Dezember 1944’. (In een toekomstig artikel op Graven in de vuurlinie zullen we hem in deze school weer terugzien.)

Als een soort nabericht noteert hij op 6 januari 1945: ‘Vanmiddag kwamen de achterblijvers uit Groessen bij de tankval nabij de Rijn in Arnhem, zij gingen naar Wageningen.’ Of er daarna nog andere arbeiders in de Groessense kampen verbleven, is vooralsnog onbekend. (Alle informatie is welkom.) Er viel in die ijskoude wintermaanden nauwelijks nog te werken en de Duitsers zagen er zelf ook de zinloosheid van in.

Het is april 1945 wanneer de bewoners van Groessen terugkeren naar een zwaar gehavend en vrijwel leeggeroofd dorp.

(Literatuur. Dit artikel is voor een groot deel gebaseerd op het dagboek van de heer Boekensteijn. Zie bij Bronnen voor de geraadpleegde documenten en literatuur. Overig: Bron Wahlen: Ons laatste halfjaar. Bron voedselproductie en kerkrazzia: boek De Liemers. Ooggetuigenverslag bombardement: S.A. Drijver op website Marketgarden.com. Bron dagboek Dinie Coenders: Zevenaar 50 jaar bevrijd. Bron loonadministratie: NIOD, Archief 088 Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden, inv. nr 322.)

(Afbeeldingen. Bron foto Sint-Antoniusgesticht met RK meisjesschool Groessen: Historische Kring Duiven – Groessen – Loo, fotograaf Frijhoff, nummer 04-18. Bron foto appelboomgaard in Groessen, Karin van Veen, 2022. Bron foto pakje Consi sigaretten Turmac fabriek Zevenaar, 1949: Collectie Liemers Museum, fotonr 09946-01vw1. Bron foto Dorpsstraat Groessen rond 1938: Historische Kring Duiven – Groessen – Loo, fotograaf Frijhoff, nummer 03-32. Bron foto voormalig Café Holland: Karin van Veen, 2022. Bron foto RK-jongensschool Groessen: Historische Kring Duiven – Groessen – Loo, fotograaf Frijhoff, nummer 03-26.)

(PS. Binnen de reeks artikelen van Graven in de vuurlinie over de gebeurtenissen in het spergebied langs de Rijn in 1944/1945, vormen de verblijfskampen voor arbeiders van de Panther-Stellung een serie op zich. Lees desgewenst eerder verschenen artikelen over hun onderkomens in Zevenaar (deel I, deel II en deel III) en Duiven.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.