Groessen 1944: bouwlocatie 2 verdedigingslinies

Donderdag 14 september 1944. Op deze dag beginnen honderden Nederlandse arbeiders bij Groessen aan het verplichte graafwerk voor de bezetter. Ze hebben een oproep ontvangen voor de Arbeitseinsatz. Bij weigering volgen strafmaatregelen, dus ze moeten wel. Een al even onwillige groep Duitse burgers is kort daarvoor gestart met de klus. Ten oosten van het dorp leggen de dwangarbeiders een brede anti-tankgracht aan, evenals geschutsopstellingen, prikkeldraadversperringen en loopgraven.

Duizenden mannen zullen in de komende maanden hieraan werken. Geleidelijk ontstaat er een uitgebreid verdedigingsstelsel. Dat loopt van de Rijn via Zevenaar naar de IJssel toe. Het geschut is vooral op het westen gericht, om een geallieerde opmars naar het achterliggende Duitsland te verhinderen.

Detail Kadaster Topotijdreiskaart Groessen, circa 1944.
(Zie voor een vergroting: Topotijdreiskaart.)

Het tweede Duitse bouwproject onder Groessen betreft de Panther-Stellung. Wanneer hiervoor de eerste spade in de grond gaat, is minder exact bekend. Bij het naburige Loo wordt al sinds medio september aan deze Duitse verdedigingslinie gewerkt. Maar liefst 3.000 man is daar langs de Rijn aan het graven.

Misschien pakken zij eveneens een stukje dijk bij Groessen mee. Rond 8 oktober 1944 brengen de Duitsers nog eens honderden opgepakte Utrechtenaren naar Groessen toe. Mogelijk worden zij zowel bij de tankgracht als langs de Rijn ingezet. Eind november 1944 arriveren enkele honderden opgepakte Rotterdammers. Zij leggen met zekerheid een kilometers lange verbindingsloopgraaf aan langs de dijk en de Oude Rijnstrangen.

Bij deze dijk, ter hoogte van de Jezuïtenwaai, treffen de dwangarbeiders ook een ander verdedigingswerk aan. Hier ligt een zware betonnen versperring met schuin omhoog stekende spoorstaven op het dijktalud naar de laaggelegen waai. Deze anti-tankversperring stamt uit de tijd van de mobilisatie en is gebouwd ter bescherming van de landsgrens. Vanwege de Duitse dreiging priemen de spitsen of ‘asperges’ van oude spoorrails in oostelijke richting.

Aspergeversperring uit 1939 bij de Jezuïtenwaai onder Groessen

Rond het dorp zijn in 1939 nog enkele Nederlandse verdedigingsmiddelen aangebracht. Een vergelijkbare aspergeversperring als die bij de Jezuïtenwaai lag over de volle breedte van de Achtergaardsestraat in Groessen. Verder was er een kazemat langs de spoorlijn nabij het Zusterspaadje en een tweede kazemat in een wei tussen de Rietsteeg en de Schraleweidsestraat. Het is twijfelachtig dat Duitse militairen deze kazematten hebben gebruikt.

Tankgracht van linie tussen Groessen en Zevenaar

In september 1944 is het een drukte van belang in het Groessense buitengebied. Ten oosten van het dorp werken Duitsers aan de nieuwe verdedigingslinie. Maar ook duizenden arbeiders uit de wijde omtrek zijn hier verplicht aan de slag. Zij komen overal vandaan. Uit de Liemers, uit de Achterhoek en uit dorpen voorbij Arnhem langs de Veluwezoom. Werknemers van een scheepswerf in Tolkamer, 600 mannen uit Velp, personeel van de Heveadorp rubberfabriek en groepen mannen uit Ruurlo en Doetinchem verrichten hier graafwerk. Ze zijn tussen de 15 – 60 jaar oud. Gewapend met een deken, schop en lepel (mee te brengen volgens de oproep) leggen ze een tankgracht en loopgraven aan.

Wat verder naar het noorden toe, werken andere ploegen bij Zevenaar aan dezelfde uitgebreide linie. De mannen daar komen onder meer uit Den Haag, Deventer, Utrecht, Lichtenvoorde en Zevenaar zelf. Op 17 september maken ze een onvergetelijke dag mee wanneer het strijdgewoel van de Slag om Arnhem losbarst. Daarna wordt het voorlopig niet meer rustig in het gebied.

Wahlen, een journalist en ooggetuige, verblijft in die periode op een boerderij of kwekerij nabij de Lem-viersprong in Groessen. Hij ziet hoe daar begin oktober honderden gravers uit Den Haag enorme stellingen opwerpen. ‘Vrezen de Duitsers soms een doorbraak uit de Betuwe, via Pannerden, naar de Liemers?’, vraagt hij zich af. En terecht. De bouwlocaties in de Liemers liggen frequent onder geallieerd vuur vanuit de Betuwe.

Groessen krijgt ongewild zijn deel van de beschietingen. ‘In de wei achter Versteeg liggen drie getroffen koeien met de poten stijf omhoog. Van vele huizen in het dorp zijn de pannen afgeslagen, ramen en deuren ontzet, schoorstenen vernield.’, noteert de journalist. Zodra het even wat rustiger wordt, voeren de boeren hun vee weg van de weidegronden langs de Rijndijk naar veiligere plaatsen.

Het is lastig genoeg om een minder gevaarlijke plek te vinden, aangezien de Duitsers overvliegende bommenwerpers en jagers met luchtafweergeschut bestoken. Tijdens het Betuwe-offensief zit Groessen bovendien opgescheept met manschappen van de 10e Panzer-Divison ‘Frundsberg’. Soms verblijven deze SS’ers, zonder dat zij het beseffen, samen met onderduikers in dezelfde boerderij. Wanneer begin oktober een paar vliegtuigen worden geraakt, krijgen de gravers bij de tankgracht in Groessen vrij.

Ondertussen hebben de bewoners heel wat te stellen met de ingekwartierde militairen. Uit alle verhalen blijkt hoezeer de SS’ers worden gevreesd. Zelfs de ‘Bauleiter’ van de Organisation Todt bij de tankgracht durft niets tegen een stomdronken, klierende SS-Sanitäter te zeggen. Daarbij komt ’s nachts nog het ‘helsch gierende granaatvuur’, zodat de mensen al bijzonder gespannen zijn. Een goede nachtrust kunnen ze vergeten.

De aanleg van het verdedigingsstelsel dat bij Pannerden haaks op de Panther-Stellung staat, zal maanden gaan duren. Van de tankgracht tussen Groessen en Ooij zijn afmetingen bekend: drie meter diep, aan de bovenzijde vijf meter breed en op de bodem zeventig centimeter breed. De uitgegraven aarde wordt zorgvuldig verspreid om de gracht minder op te laten vallen. Geallieerde verkenners fotograferen het enorme door het landschap zigzaggende gevaarte echter toch wel.

Geallieerde militaire map met verdedigingswerken rond Groessen in maart 1945

De Panther-Stellung: loopgraven langs Oude Rijnstrangen

Terwijl de dwangarbeiders bij Loo langs de Rijn loopgraven aanleggen, en ten oosten van Groessen onder meer een tankgracht uitgraven, ligt het rivierengebied ten zuiden van Groessen er evenmin vredig bij. Hier komt het deeltraject van de Panther-Stellung tussen Loo en Pannerden. Waarschijnlijk start de aanleg van dit stuk eind september of begin oktober 1944.

Medio oktober vertrekken 400 mannen uit Lobith naar Groessen en Pannerden voor werk aan ‘de verdedigingslinie’. Mogelijk graven zij dus hier nabij de Oude Rijnstrangen. Totaal moeten 1.200 mannen in Lobith van 16 tot 60 jaar oud zich melden. Zo ook de mannelijke evacués van elders, die daar verblijven. Na een week zullen de eerste 400 gravers worden vervangen door anderen, meldt burgemeester Cremers van Pannerden.

De Rotterdamse dwangarbeiders arriveren in november. Zij leggen in Groessen voornamelijk loopgraven aan op een dijk. Daarnaast graven ze schuttersputten en een mitrailleurstellingen uit. Hier heeft de SA (‘bruinhemden’) het voor het zeggen. De dwangarbeiders moeten de man vier meter loopgraaf per dag opleveren.

In praktijk gaan de Duitsers bij Groessen relatief coulant om met deze opdracht. Voor de dwangarbeiders zijn de werkomstandigheden al slecht genoeg. November biedt guur herfstweer en op de bouwlocaties is het een kleddernatte boel. De mannen staan dagenlang met zware rivierklei in de modder te ploeteren, terwijl ze slechts eenvoudig handgereedschap hebben. Daarbij komt het constante gevaar van dodelijke kogels en granaatscherven.

Uit het dagboek van een dwangarbeider

De heer Boekensteijn is één van de Rotterdammers die een maand lang in Groessen verblijven. In het dorp beheert de NSDAP meerdere kampen voor de honderden dwangarbeiders. Ze overnachten in scholen en cafézalen, nadat de bevolking uit het dorp is geëvacueerd. De volgende fragmenten uit het dagboek van Boekensteijn geven een concrete indruk van wat een dwangarbeider zoal uitvoert in en rond Groessen.

Gezien de loopafstand vanaf het dorp, betreft de hierna vermelde dijk vrij zeker een locatie nabij de Oude Rijnstrangen. Soms werkt hij ook in de buurt van Loo. In die jaren staan er zowel bij Loo als bij de Jezuïtenwaai dijkmagazijnen. Voor loopgraven geven de Duitsers gewoonlijk een aantal meters op per team van twee man.

Doorgaans stellen de bouwleiders zich schappelijk op, behalve wanneer er van hogerhand controle komt. Dan komt direct de Duitse strengheid tevoorschijn. Dit blijkt op 28 november tijdens een bezoek van (vermoedelijk) Ortskommandant Hauptmann Riebenzam uit Zevenaar.

Bouwwerkzaamheden op locatie

  • Maandag 20 november 1944: Loopgraaf maken aan een dijk. Met drie man ongeveer 8 meter voor onze rekening genomen. Is nog niet klaar. Tamelijk veel regen gehad.
  • Dinsdag 21 november: Weer aan de dijk gegraven aan de loopgraaf. De 8 meter waar we aan bezig waren bijna klaar. We willen niet hard werken, ook al schreeuwen de Duitsers van sabotage, enz. ’s Avonds 4 uur weggegaan (er was toch geen Duitser meer te zien).
  • Woensdag 22 november: Om 7 uur opstellen. Weer graven aan de dijk. Een man moest ons stuk afmaken en ik kreeg een stuk van 1 meter voor mij alleen, een stuk dat overgeslagen was. De anderen krijgen ook zo’n stuk of moesten andere gedeelten opknappen. Plaggen bij leggen. Steeds maar regen. Om 10 uur mochten we schuilen in een boerderij.
  • Donderdag 23 november: Om 7.15 uur opstellen. Een eindje verder kregen we ieder 2 sigaretten. Weer naar de dijk. Weer steeds regen.
  • Vrijdag 24 november: Om 7.15 uur opstellen en om 7.45 uur naar de dijk met 2 corsi-sigaretten. Loopgraaf gedeelte afgemaakt. Toen weer verderop. Granaten sloegen tamelijk dicht bij ons in. We kregen weer een nieuw stuk loopgraaf te maken, per man 4 meter. Zelf deze dag voor het eerst klompen aan. Valt niet mee om den duur.
  • Zaterdag 25 november: Blijf vandaag thuis. M’n voeten doen nog knap zeer. Moest in de keuken boerenkool plukken voor de soep en ook nog wat spruitjes. Van de jongens zijn er ’s morgens uit onze kamer 5 naar Westervoort gestuurd met een groep. De anderen moesten naar de dijk (putten dicht maken!) Het water kwam steeds hoger.
  • Zondag 26 november. De mannen in de kamer van Boekensteijn spreken af om allemaal te blijven liggen. Dan komt een Duitse bewaker in bruin uniform kijken wat er gaande is. ‘Om 8 uur kwam een bruine SA-man naast ons (kamer 1) en vroeg wie er aan de dijk gewerkt hadden gisteren.’ De kamergenoten houden hem voor de gek en zeggen: ‘Allen’. Daarop vertrekt de bewaker om met drie man terug te keren naar zaal 2, waar de groep van Boekensteijn verblijft. Een Duitse soldaat spreekt een beetje Nederlands en vraagt wie van hen gisteren in Westervoort hebben gewerkt, want zij zijn vrij. Vier mannen staan op. ‘Toen volgde: ‘Der aus, der aus, aufstellen’ enzovoort.’ Prompt worden ze alsnog naar Westervoort gestuurd. De rest van de kamergenoten denkt onder graafwerk uit te komen, ‘doch even later kwam een bruine ook de anderen halen. Zij moesten naar de dijk.’
  • Maandag 27 november, naar de dijk: Mijn spa was door iemand van een andere school, die geen spa had, weggehaald. Daardoor moest ik een schop meenemen, een ongelukkig ding, kon er niet mee werken. Kwam bij een harde werker te staan. Allen 2 man per 4 meter.
  • Dinsdag 28 november: We moesten weer naar de dijk, doch nu verderop, een gedeelte dat onze voorgangers gemaakt hebben. We moesten loopgraven dichtmaken, aangezien het water in de uiterwaarden steeds hoger steeg en er dus gevaar dreigde voor de dijk. [Die dag werken ze in de striemende regen.] Om 11 uur gingen we schuilen in een verlaten boerderij aan de andere kant van de dijk. Daarna als een razende alles afgemaakt, het werd hondenweer. Toen we klaar waren, gingen we verderop de dijk op. Daar gingen we een dijkhuis binnen om te schuilen. Onze begeleiders hadden nog geen sein gekregen dat we naar huis mochten. Even later verscheen de Hauptmann op de dijk en werden we gewaarschuwd door de Duitser die ons begeleidde dat hij eraan kwam. Vlug naar buiten en [zodra de Hauptmann zijn hielen heeft gelicht] weer verderop daar weer in een dijkhuis geschuild.
  • Woensdag 29 november: Boekensteijn moet groenten van de velden halen met zijn vaste maat, de heer Van Gelder, een joodse man. Het weer is die dag goed, maar een laaggelegen deel van een weg staat al blank.
  • Donderdag 30 november: Met een groep van 112 man moesten we even buiten Groessen (een half uur lopen) hout en rommel, als turfmolm, enzovoort slepen. Een ander gedeelte moest graszoden steken. Waarvoor weten we nog niet. Het is geloof ik maar gezocht werk. … [De arbeiders moeten die dag het hout en dergelijke naar een plek naast een afgebrande boerderij brengen.] Rechts ervan, kennelijk de stal, lag een half vergane koe. Gelukkig was de wind van ons af. Het hout, enzovoort was van een door de luchtdruk uit elkaar geslagen schuurtje. Eerst moest het hout rechts van de boerderij, later weer links in de boomgaard. Daar lag het weer vol met appels en peren en hebben we ons wel te goed gedaan.
  • Vrijdag 1 december: Plaggen steken en loopgraaf met mitrailleursnest bouwen. Half uur schaft tussen de middag. Half 5 naar huis, 5 uur thuis [in het verblijfskamp]. Volgens de Lagerführer gaan we spoedig hier vandaan. Het water stijgt steeds.
  • Zaterdag 2 december: Plaggen steken en mitrailleursnest bouwen. Bij het dorpje Het Loo vier roeiboten uit het water halen. Zie voor dit verhaal Bouwlocatie Loo.
Roeiboot in een waai onder Groessen
  • Zondag 3 december 1944: Weer naar plaggenstekerij. … Toen alles weer aantreden en naar de dijk. Gingen door Groessen en toen de dijk over. Zeker 1 ½ uur getippeld. We moesten loopgraven en granaatgaten dichtmaken. … Toen we mannen terug zagen gaan, zijn we ons putje af gaan maken en gingen we ook naar huis. Helaas werden we geroepen en moesten we anderen, die nog bezig waren, helpen. Enkelen wilden doorlopen, docht de soldaat richtte direct zijn geweer op hen. Het regende, het waaide en het was erg koud.
  • De volgende dagen blijft de heer Boekensteijn zonder permissie ziek thuis. Er zijn op dat moment weinig anderen ziek en dan is er weinig controle.
  • Donderdag 7 december: Weer naar de mitrailleur stelling. Moet zelf plaggen dragen op een draagbaar (twee stammetjes met 3 plankjes) Veld erg modderig vet van de zandklei. Viel niet mee op klompen.
  • Vrijdag 8 december: Ben naar de keuken [elders in Groessen] gegaan om aardappelen te schillen. Om 4 uur kwamen we thuis van aardappelen schillen.
  • Zaterdag 9 december: Ben zelf weer naar de keuken geloosd. Aardappels schillen. … Kon helaas geen [ziekenverlof] briefje krijgen voor binnendienst.
  • Zondag 10 december: We moeten plaggen dragen en op een wagen laden. Zelf wagen geladen. Viel niet mee, plaggen erg zwaar. Veld één bonk modder van de vette klei. Klompen vol bonken klei zogen steeds vast, deed erg zeer aan m’n voeten, vooral aan het wondje.
  • Maandag 11 december: Moesten weer naar de bovengrondse loopgraaf. Viel zelf bij een groep stenen dragen. Ging gauw stenen aangeven, voelde niets voor het modderland. [Vermoedelijk is de ‘bovengrondse loopgraaf’ een soort langwerpige gecamoufleerde schuiltunnel of een afgedekte tunnel met zijopeningen voor schuttersposities.]
  • Dinsdag 12 december: Half acht opstellen. Een groep moest naar de dijk, daar viel ik ook bij. Erge koude wind, later ging het ook regenen. Moeten verzakte dichtgemaakte [met hout en plaggen gecamoufleerde?] loopgraven weer opvullen. Modder, klei, modder, klei! Werden om ongeveer 11 uur weggehaald, moest in dijkhuis paaltjes halen en naar een zwakke plaats van de dijk brengen op kruiwagens. Onderweg er naar toe werden we weer teruggestuurd door mensen van de dijkgraaf. De Duitsers hebben er geen verstand van, zeiden ze. We mochten om half 3 al naar huis. Het was geen doen op de dijk.
  • Woensdag 13 december: Naar de bovengrondse loopgraaf. Ik viel bij groep stenen dragen. Viel niets mee in die blubber. M’n schouders en voeten gingen erg zeer doen. [Er staan meerdere steenfabrieken langs de rivier, dus zijn er bakstenen in overvloed.]
  • Donderdag 14 december: Naar bovengrondse loopgraaf. Moest weer stenen dragen. Tot 11 uur stenen opgegeven. Toen dragen overgenomen van een jongen van onze kamer die niet meer kon. Het was een koude gure mist de hele dag.
  • Vrijdag 15 december: Naar bovengrondse loopgraaf. Het heeft flink gevroren vannacht. De grond van het land is lekker hard en goed beloopbaar. Het was wel koud, doch gezonde vrieskou. Na 1 uur ging het dooien en werd het land weer één bonk modder. Tot 1 uur heb ik stenen gedragen, na die tijd plaggen. Half 4 was de loopgraaf klaar en mochten we naar huis. Vandaag waren de Engelsen weer erg actief in de lucht en ook het artillerievuur.
  • Zaterdag 16 december: Half 8 opstellen. Moesten bij loopgraaf staande boerderij een mitrailleursnest maken (op de hoek). Toen deze haast klaar was, moesten we anderen helpen aan een bovengrondse loopgraaf, een boerderij terug. De hele dag heb ik plaggen gestoken op m’n gemak. ’s Morgens hevig artillerievuur en mitrailleurvuur. Ons werd gezegd voor we weggingen, dat we gevarengeld zouden krijgen. Dit is geloof ik ƒ 10,00 per dag.
  • Zondag 17 december: Weer met kleine groep naar kleine bovengrondse loopgraaf. Onderweg er naar toe begon het te regenen. Het veld was één bonk modder en je zakte er tot je enkels in. Mijn maat, waarmee ik plaggen liep te dragen, maande steeds tot stoppen. Wij bleven staan, doch de anderen liepen maar door. Eindelijk gooiden ook de anderen de boel neer en gingen we naar de boerderij om te schuilen. De Duitse soldaten lieten het toe, doch de Oberfeldwebel kwam al gauw en vroeg wat er aan de hand was. We werden er uitgejaagd en namen elk een flinke bos stro mee om een pad te maken. Toen ging het wat beter en was het intussen ook droog geworden, hoewel nog wel een erge koude wind. We mochten doorwerken zonder de pauze van 10 uur (20 minuten) en konden dan om 12 uur naar huis, in plaats van 1 uur. We waren half 1 thuis.

Het stijgende water

De Duitsers kunnen niet om het almaar stijgende rivierwater heen. Evenals in omliggende plaatsen, komen hele stukken land en uiterwaard bij Groessen onder water te staan. Halverwege november hindert hoogwater in de rivier het graafwerk steeds meer. Daardoor zakken bij sommige loopgraven de wanden in, waarna de dwangarbeiders die weer moeten verstevigen. En op andere plekken moeten zij, zoals Boekensteijn beschrijft, de schuttersputten en loopgraven weer dichtmaken. De plaatselijke dijkgraaf ziet het graafwerk met grote zorg aan.

Op 19 december 1944 wordt Boekensteijn samen met de meeste Rotterdammers in zijn verblijfskamp overgeplaatst naar Arnhem. Een kleine drie weken later volgen ook de resterende achterblijvers uit Groessen. Hun nieuwe werklocatie is Wageningen. Of er daarna nog in Groessen wordt gegraven, is vooralsnog onbekend. (Alle informatie is welkom.) Stukken land staan dan blank en in de ijskoude winter valt er amper nog te werken.

Na hun vertrek laten ze een desolaat dorp en landschap achter.

Verdedigingslinie en bouwinstructies

Op militair kaartmateriaal en geallieerde luchtfoto’s uit 1944/1945 is te zien waaruit de verdedigingswerken bij Groessen bestaan. Het artikel Bouwinstructies van de Wehrmacht bevat een omschrijving van de meest voorkomende onderdelen.

Ten oosten van het dorp ligt het stelsel van tankgrachten, verbindingsloopgraven, prikkeldraad versperringen, diverse soorten artillerie en geschutsopstellingen, gecamoufleerde schuilplaatsen, eenmansgaten en andere schuttersputten, opslagplaatsen voor wapens en dergelijke. Hier staan eveneens militaire voertuigen (tanks?) opgesteld. Ten zuiden van Groessen volgt een zigzaglijn van kilometerslange verbindingsloopgraven de dijk bij de Oude Rijnstrangen. Ten westen en zuiden staat in het buitengebied allerhande geschut verspreid opgesteld. Hier zijn onder meer korte loopgraven en schuilplaatsen uitgegraven.

De geallieerden verzamelen deze informatie onder meer op basis van verkenningsvluchten en van verzetslieden verkregen inlichtingen. Zo vernemen ze in november dat er bij de kruising van de tankgracht en de Leuvensedijk vijftien luchttorpedo’s zijn opgeslagen. Elders zouden nog eens acht luchttorpedo’s van 1,5 meter staan.

Zie voor details de militaire plattegrond van Groessen uit maart 1945 met Duitse verdedigingswerken.

PS. In de reeks artikelen over de gebeurtenissen in het spergebied langs de Rijn in 1944/1945, vormen de bouwlocaties van de Panther-Stellung een serie op zich. Lees op Graven in de vuurlinie verder over de linie in de nabijgelegen plaatsen Westervoort, Duiven en Loo.

(Literatuur. Bron verdedigingswerken mobilisatie: Ik herinner me. Bron journalist Wahlen: Ons laatste halfjaar. Bron afmetingen tankgracht en luchttorpedo’s: Zevenaar 50 jaar deel 1. Bron mannen uit Lobith: verslag Cremers. Dit artikel is voornamelijk gebaseerd op het dagboek van de heer Boekensteijn. Zie bij Bronnen voor de geraadpleegde documenten en literatuur.)

(Afbeeldingen. Bron plattegrond: Kadaster via Topotijdreis, uitsnede kaart Groessen bij de Nederrijn, circa 1944. Bron foto aspergeversperring bij de Jezuïtenwaai, 2022, Karin van Veen. Foto uitsnede militaire kaart 19 maart 1945 bouwlocatie Groessen: 4002 Zevenaar, Eastern Holland: defence overprint, 1945 © Government of Canada. Reproduced with the permission of Library and Archives Canada (2022). Source: Library and Archives Canada/Department of National Defence fonds/ e999909844-u. Bron foto roeiboten in een waai bij Groessen en de Rijn, 2022, Karin van Veen.)

© 2022 Copyright Graven in de vuurlinie.