Verzetsdaden van dwangarbeiders en heimelijke sabotage

Wie in de Tweede Wereldoorlog bij een razzia was opgepakt en onder toezicht stond van Duitse bewakers, kon zich maar beter koest houden. Tegenstribbeling of openlijke werkweigering werd publiekelijk afgestraft. In de Liemers is het lot bekend van de tewerkgestelde Bernard Polman, een Jehova’s getuige. In november 1944 weigerde hij uit geloofsovertuiging om bij Babberich graafwerk te verrichten voor de bezetter. Hij wist wat hem te wachten stond; namelijk het vuurpeloton.

Binnen het spergebied langs de Rijn was Polman een uitzondering, maar zeker niet de enige die een verzetsdaad of ontsnappingspoging met de dood bekocht. De meeste andere dwangarbeiders kozen echter voor kleinere verzetsacties en bescheiden vormen van sabotage.

Veilig verzet

Een relatief veilige optie was ziekte veinzen. Sommige kampartsen waren tamelijk coulant, zodat een dwangarbeider enkele dagen van werk werd vrijgesteld. Een aantal opgeroepen mannen bracht ongeschikt gereedschap mee, bijvoorbeeld te kleine schoppen, waarmee zij weinig konden uitvoeren.

Befaamd zijn ook de langzaamaanacties. Als de Nederlandse mannen niet werden opgejaagd, verrichtten ze nauwelijks werk. Verschillende Duitse toezichthouders vonden dat wel best. Zo pleegden lager geplaatste Duitsers eveneens stil verzet tegen opdrachten van hun meerderen op diverse locaties in de Liemers en in Arnhem.

Duitser doet suggestie voor sabotage

Niet elke Duitser was dus fanatiek. Toch kijkt de heer Lammerts uit Lager Vreedenhoff wel vreemd op wanneer een Duitser hem een sabotagevoorstel doet. Lammerts is in november 1944 op de Arnhemse Eusebiussingel aan het werk. Op een dag komt er een advocaat uit Keulen langs. ‘We moesten in de loopgraven de steunpalen van rondhout aan de binnenkant voor 3/4 doorzagen en daarna de zaagsnede met zand en modder camoufleren. Dat was een prachtige daad van verzet, hield hij ons voor.’ De tewerkgestelde mannen op de Eusebiussingel twijfelen. Kunnen zij deze Duitser vertrouwen of probeert hij hen erin te luizen? Ze besluiten zijn advies toch maar te negeren.

Ook elders moeten dwangarbeiders de wanden van loopgraven verstevigen met palen en planken. Zij doen dat op zo’n manier, dat het ijzerdraad aan de achterzijde makkelijk losraakt.

Je maintaindrai

Een subtiele protestactie tegen de Duitse bezettingsmacht komt van Drukkerij D.G. Meijer in Velp. Begin januari 1945 moet dit bedrijf formulieren maken voor de kampadministratie van de NSDAP in Arnhem. Op de rekening voor 600 voedselkaarten voor Lager School 16 prijkt een klein zegel. Waarde 10 cent.

Elke blijk van sympathie voor het Nederlandse koningshuis en voor de Nederlandse staat is verboden. Alles met de kleur oranje wordt met argusogen bekeken en de verkoop van postzegels met een afbeelding van Koningin Wilhelmina is gestaakt.

Maar dat is dan buiten de Nederlandse belastingdienst gerekend. Want tot in de jaren zestig werd er op facturen en kwitanties een fiscaal zegel geplakt voor afdracht van BTW. Zoals het zegeltje op de factuur voor de NSDAP. En laat daar nu het Nederlandse wapen op staan, plus de wapenspreuk van het huis van Oranje-Nassau: Je maintaindrai.

(Deze en meer verhalen leest u in de boekenserie van Graven in de vuurlinie.)

(Bron citaat: Lammerts, Jan, Gelders Archief, 1557 – 519, brief 30 oktober 1989 aan gemeentearchivaris P.R.A. van Iddekinge over zijn verblijf in Arnhem in november 1944 (A 233/1989.
Bron afbeelding onder: NIOD Archief 088, invnr 323, NSDAP Arnhem, zegel 10 cent met wapen en tekst Je maintaindrai, foto Karin van Veen.)